Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiding in die beteekenis tevens de voorwaarde is niet alleen van gelijke bescherming aller kerkgenootschappen, maar van elks vrijheid ten aanzien van den Staat.

Daar is ook, mijns inziens, tusschen een kerkgenootschap en den Staat, zoo min een gemengd gebied, als ik mij een gemengd gebied kan voorstellen tusschen eenige andere vereeniging, eenig ander bijzonder lichaam in den Staat en dezen.

Wat is bij een kerkgenootschap onder het bereik van de Staatsmacht, van de Wetgeving, van het Bestuur? Mij dunkt, men kan het zóó uitdrukken: betgeen een kerkgenootschap met andere burgerlijke vereenigingen gemeen heeft; dit en dit alleen. Het godsdienstig karakter van het kerkgenootschap valt daarbuiten.

Ik zeide dat ik in het Vide hoofdstuk van de Grondwet geen aanleiding vind tot eene bijzondere, geene andere aanleiding dan tot eene gemeenrechtelijke voorziening, hetzij bij het Strafwetboek, hetzij bij de wet regelende het recht van vereeniging en vergadering. Al wat als bijzondere politiewetgeving over godsdienstoefening en kerkgenootschappen te bepalen valt, dat heeft, mijns inziens, de Grondwet zelve bepaald. Het overige is juris communis. Ik wil dus geenszins de kerkgenootschappen onttrekken aan de wet, noch aan de politiemacht, maar ze bij de wet niet buiten het gemeene recht hebben geplaatst.

Gaan wij de onderscheidene artikelen van het hoofdstuk na.

Art. 165 waarborgt gelijkheid van bescherming. Bescherming is eene algemeene verplichting. De Staat is niet alleen gehouden om de kerkgenootschappen, maar elke vereeniging, die tot een goed, tot een waardig doel is opgericht, te beschermen. De klem der bepaling ligt in het woord gelijke. Om gelijkheid, van bescherming, hierom dat geen onderscheid worde gemaakt tusschen de onderscheidene kerkgenootschappen, is het te doen. De ongelijkheid van vroeger tijd mag niet terugkeeren.

Art. 167 laat alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen toe, behoudens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust; buiten de gebouwen en besloten plaatsen slechts, waar zij thans is geoorloofd. Een politievoorschrift, wellicht niet noodig in de Grondwet, maar waardoor zij de wet heeft afgesneden ten ware, zoo de gewone maatregelen van politie niet toereikende werden geoordeeld, eene strafbepaling tegen overtreding wierd vereischt. Doch zoodanige bepaling valt in den kring van die, welke ten aanzien van ongeoorloofde vergaderingen in open plaatsen noodig zijn.

Art. 169 beveelt gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat. Niemand zal twijfelen, of deze gehoorzaamheid is die van het gemeene recht. Alle vereenigingen zijn verplicht aan de wetten van den Staat te gehoorzamen. Indien een genootschap, een kerkgenootschap de vrijheid zijner leden om het te verlaten belemmert, indien het hun plichten of lasten oplegt, strijdig met de rechten, aan alle ingezetenen van den

Sluiten