Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zicht geenszins met een internationaal traktaat gelijk te stellen. Het werd in 1801 door den Eersten Consul niet gesloten niet. een vreemd gouvernement, maar met dengene die bij het concordaat zelf als het hoofd van de Fransche Katholieke Kerk werd aangemerkt.

De voorgaande regeering, zoo verdedigde de heer de Brauw, had de voorafgaande mededeeling omtrent de voorgenomen invoering der bisschoppelijke hierarchie bedongen, om toezicht te kunnen uitoefenen, dat orde en rust niet wierden gestoord en de wetten van den Staat niet wierden overtreden. Door zich die mededeeling te laten „ontfutselen" had de regeering dat beginsel van toezicht prijsgegeven. Het ontwerp zoude dienen, om dit „verloren beginsel" weder in eere te herstellen.

Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde uit Gouda, heeft gezegd, dat het vorig Gouvernement een toezicht, hetwelk dat Gouvernement gehouden was uit te oefenen, zich had laten ontnemen. De geachte afgevaardigde heeft gezegd: zich had laten ontfutselen. Ik kan ten aanzien van dat houden van toezicht, met betrekking tot liet vorig Gouvernement, enkel oordeelen als lid van den Ministerraad; ik was in handelingen van dien aard niet rechtstreeks betrokken. Ik meen evenwel te moeten ontkennen hetgeen de geachte spreker heeft beweerd; ik meen te moeten verzekeren dat het vorige Gouvernement zich niets heeft laten ontnemen, op welke wijze dan ook. De geachte spreker heeft, dunkt mij, twee verschillende zaken verward.

Het toezicht, dat op het Gouvernement rustte volgens de Grondwet, wat was het? De kerkgenootschappen te houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat. En nu was geenerlei wet overschreden. Men had, ja, om mededeeling gevraagd, maar men had dit gevraagd met het doel, zooals door meer dan één spreker aan de Vergadering is blootgelegd. De meening van het vorige Gouvernement was echter in geenen deele om, al gedroeg men zich niet aan dat verzoek, al werd er geene mededeeling gegeven, het Roomsch-katholieke kerkgenootschap te binden, in zoover namelijk dat kerkgenootschap of het bestuur daarvan niet eenige wet overtrad.

De geachte afgevaardigde schijnt het door mij aangeduide beginsel der Grondwet vergeten, althans voor het oogenblik ter zijde gesteld te hebben, en te meenen, dat men wetten moet maken, ten einde tegen hare overtreding te waken. Zoodra die wetten tot stand zijn gekomen, kan over die vraag, of men die zal moeten doen opvolgen, tusschen den geachten afgevaardigde en mij geen verschil zijn. Maar hij gelieve niet te verwarren hetgeen men verlangt van eene toekomstige wet en het toezicht, dat volgens de tot dusver bestaande ivetten kon en moest worden uitgeoefend.

22 Augustus. Artikel 1. Het eerste artikel luidde: „Alle kerkge-

Sluiten