Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo ik het wel versta of begrijp, dan wordt er gevraagd, dat Rome ten aanzien van Haarlem en Utrecht wijzige, en men draagt eene wet voor om van de beslissing van het Gouvernement afhankelijk te maken of de zetel van een kerkhoofd al dan niet in eenige stad zal worden gevestigd. Ik vraag, of men aldus de onderhandeling niet breekt.

Het komt mij ook vreemd voor, dat de tegenwoordige Regeering zoo zeer bevreesd schijnt te zijn voor het woord onderhandeling, daar zij in ditzelfde artikel het woord overleg heeft gebruikt; er staat toch: „na met hen — de hoofden der kerkgenootschappen — gehouden overleg"; men moet dus in overleg treden niet die hoofden, een overleg, dat, ten aanzien van de bisschoppelijke zaak, toch wel met Rome zal moeten worden gepleegd; is zoodanig overleg, in de tegenwoordige taal der Regeering. geen onderhandeling meer?

Het verraste mij opnieuw, uit den mond van den Minister van Buitenlandsche Zaken te vernemen, dat nota's, zoo gewisseld als geschied is door het vorig Gouvernement of door dat van 1841 met Rome, niet mogen worden beschouwd als niet eene conventie gelijk te staan. Ik dacht, dat noch in de diplomatie, noch op liet rechtsgebied in het algemeen daarover eenige twijfel kon wezen: wanneer in de ééne nota wordt verklaard, dat men zekere voorwaarden stelt ten aanzien van eene bepaalde aangelegenheid, en in de andere nota — van de andere zijde —die voorwaarden worden aangenomen, wanneer het dus uit die twee nota's te zamen blijkt, dat er volkomene overeenstemming bestaat om te handelen, gelijk bij die nota's is vastgesteld, dan is er, dunkt mij, even zoo goed, even zoo krachtig eene overeenkomst gesloten, als wanneer die overeenkomst bij een verdrag in forma ware tot stand gebracht. Het is waar, die overeenkomst heeft niet de solemniteit aan een traktaat eigen; maar in het wezen der zaak is er geen verschil, en wij zullen, geloof ik, in de geschiedenis der diplomatie eene menigte onderhandelingen vinden, aldus ten einde en tot eene verbindende uitkomst gebracht.

De Minister van Buitenlandsche Zaken heeft beweerd — zoo ik hem wel heb verstaan — dat op het concordaat van 1827 niet kon worden teruggekomen, zonder goedkeuring van de wetgevende macht. De Minister gelieve het mij ten goede te houden, wanneer ik onderstel, dat ook die exceptie sedert zijn Ministerie bij hem is ontstaan. Het is hetzelfde misverstand, dat ik in eene vorige zitting bestreden heb. Ik stel een concordaat niet gelijk met een internationaal verdrag; het concordaat toch is gesloten met het hoofd van een kerkgenootschap, en in zoover niet met eene vreemde mogendheid; het staat op het terrein, omschreven bij het Vide hoofdstuk der Grondwet, niet op het terrein van art. 57, hetgeen zegt, dat verdragen, bepalingen inhoudende, die wettelijke rechten betreffen, door de Staten-Generaal moeten worden goedgekeurd.

Sluiten