Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zitting 1853-18 54.

19 November. Beraadslaging over het in- overweging nemen van

het voorstel van negen leden tot afschaffing van het tonnengeld

en van den accijns op het geslacht. Hoewel de toestand van s Lands financiën bepaald gunstig kon genoemd worden, dacht de in 1853 aan het bewind gekomen regeering er niet met ernst aan, daarvan partij te trekken tot verbetering van het belastingsysteem, die hoogst noodzakelijk was. De troonrede had daarover met geen enkel woord gesproken; wel had de minister van financiën in zijne redevoering bij de indiening der begrooting voor 1854 erkend, dat met reden gewenscht kon worden, dat tot afdoende ontheffing van lasten zoude worden overgegaan, doch tevens had hij te kennen gegeven, dat voorshands de daartoe nog niet was gekomen, en men zich met verbeteringen en wijzigingen in de bestaande belastingen en heffingen zoude moeten tevreden stellen.

De loonen waren laag en de toenemende duurte der eerste levensbehoeften wekte alom tot klachten. Bij toenemende bevolking viel een geringer verbruik van de meest noodzakelijke levensmiddelen op te merken. Herhaaldelijk waren bij de Kamer adressen ingekomen, waarbij op afschaffing van de accijnsen, die van de eerste levensbehoeften werden geheven, werd aangedrongen. Bij de weinige geneigdheid, die de regeering had getoond, tot deze hervorming over te gaan, hadden negen leden der Kamer, waaronder de oud-ministers Thorbecke en van Bosse, gemeend het initiatief daartoe te mogen nemen. Het bescheiden voorstel, dat werd gedaan, tot afschaffing van het tonnengeld en van den accijns op het geslacht benevens van de rechten op den invoer van slachtvee en versch vleesch, was slechts een enkele schrede verder op den weg, die in de laatste jaren door het vorig kabinet was aangewezen. De strekking van het ontwerp was in den considerans aangegeven. „maatregelen te nemen, welke strekken (konden) om den aanvoer van levensmiddelen aan te moedigen en in de tegenwoordige duurte der eerste levensbehoeften te gemoet te komen."

Het ontwerp was den 8sten November ingediend; 19 November kwam de vraag aan de orde, of het voorstel in overweging zou worden genomen. Slechts twee leden kwamen er rondborstig voor uit, dat zij het voorstel eene nadere bespreking zelfs niet waardig keurden: de heeren van der Brugghen en van Lennep. De eerste zag in het ontwerp

Sluiten