Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(bijdrage en vergoeding van rente aan de nederlandsche Rijnspoorwegmaatschappij) werden verschillende klachten geuit over de traagheid, waarmede aan de duitsche zijde werd voortgang gemaakt met den aanleg van den spoorweg, die ons laud met Duitschland zou verbinden. De heer Godefroi gaf zijne teleurstelling te kennen, dat bij het daaromtrent op 1 April 1852 met de pruisische regeering gesloten traktaat niet van beide zijden bedongen was, dat de aanleg binnen drie jaren na de ratificatie van het traktaat voltooid zou zijn. Terwijl men in Nederland binnen drie jaren na de ratificatie gereed moest wezen, was aan Pruisen een termijn gegund van drie jaren, te rekenen van den dag, waarop de pruisische regeering concessie voor den aanleg zou hebben verleend. Die concessie was echter eerst in Juni 1853 gegund, zoodat er nu reeds 15 maanden waren verloopen, zonder dat van de duitsche zijde iets was gedaan.

Mijnheer de Voorzitter, een gezegde van den geachten spreker uit Alkmaar, geeft mij aanleiding eene opmerking aan de Vergadering te onderwerpen ten aanzien van dat traktaat van 1851. De geachte spreker uit Alkmaar heeft op heusche, op besclieidene wijze, gelijk hij pleegt, eenige bevreemding te kennen gegeven, dat bij art. 1 van dit traktaat wel aan ons de verplichting was opgelegd om binnen drie jaren de aansluiting te voltooien, maar niet aan het Pruisisch Gouvernement. Inderdaad wij lezen in art. 1: ,,De Pruissische regering zal aan de maatschappij, die de concessie van den ijzeren spoorweg van Oberhausen tot aan de grens verkregen heeft, de verpligting opleggen, om den aanleg van de linie op het Pruissisch grondgebied binnen de tijdruimte van drie jaren voltooijen, te rekenen van het tijdstip, waarop de concessie zal verleend zijn."

En nu volgt:

„De Nederlandsche regering zal de maatschappij, die de concessie van den Nederlandschen Rhijnspoorweg heeft, verpligten den aanleg van den ijzeren spoorweg van Arnhem tot aan de grens te voltooijen binnen de tijdruimte van drie jaren."

Het blijkt echter licht waarom in de laatste alinea niet meer kon worden gezegd dan gezegd is. Hier bestond de consessie, hier bestond eene maatschappij; in Pruisen bestond ja eene maatschappij, maar was de concessie nog niet verleend noch aangenomen, en kon men dus bij het traktaat niet anders zeggen dan hetgeen gezegd is: „van het tijdstip waarop de concessie zal verleend zijn." Maar noch bij het Nederlandsche, noch, ik meen dit te mogen zeggen, bij het Pruisisch gouvernement bestond toen de minste twijfel of die concessie zou spoedig worden verleend, en de maatschappij, welke die concessie zou erlangen, zou met haar gedeelte van den weg veel eer dan wij gereed zijn. En dat deze de bedoeling was, blijkt uit het slot van het artikel. Daar staat: „De Nederlandsche Regering zal de maatschappij, die de concessie van den Nederlandschen Rijnspoorweg heeft, verpligten tot

Sluiten