Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beide zijden gelijktijdig gereed zou zijn: het was op grond dier uitgedrukte onderstelling, dat de termijn op drie jaren is bepaald. Duidelijker bepaling kon men niet maken onder de toenmalige onstandigheden, toen de eene regeering hoegenaamd niet in bedoeling verschilde van de andere.

Zoo nu van de zijde van de Pruisische regeering de concessie later is verleend, is dit wellicht aan onderscheidene omstandigheden, wellicht mede aan gouvernementeele langzaamheid te wijten. Wellicht bestonden er ook aan de zijde der maatschappij, waaraan de Pruisische regeering concessie moet verleenen, moeilijkheden. Dat echter het Pruisische gouvernement, bij het eindelijk verleenen van die concessie, geen korteren termijn dan van drie jaren heeft gesteld, hoor ik met groot leedwezen. Dat men een korteren termijn bij het geven der concessie zou opleggen, is juist het punt geweest, hetgeen door het vorig Gouvernement, hetgeen door mij persoonlijk bij de Pruisische regeering ten sterkste is aangedrongen.

24 November. Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1854. Algemeene beraadslaging. Aan de algemeene beraadslagingen hadden slechts enkele leden deelgenomen. Drie van hen, de heeren van Goltstein, Mackay en Groen van Prinsterer schenen daarbij meer een aanval op het vorig gouvernement op het oog te hebben, dan eene bespreking van de politiek, die door het nieuwe bewind zoude gevolgd worden. De heer van Goltstein trad zelfs terug in eene beschouwing over de gemeentewet, de kieswet en de wet op het Nederlanderschap, die volkomen buiten de orde was. De heer Groen van Prinsterer kwam meer openlijk tegen het vorig ministerie in het vuur. De vorige regeering, zei hij, was te kort geschoten in hare taak, en moest dat wel daar de politieke richting, die het vertegenwoordigde, eene antinationale richting was, die slechts haar basis vond in oppositie tegen het gouvernement dat voorafging. Nu dit bewind door het historischChristelijk beginsel gevallen was, verwachtte de heer Groen een beteren tijd.

Mijnheer de Voorzitter, ik ben nu niet opgetreden om het vorig Bewind uitvoerig te verdedigen, ofschoon ik mij, waar verdediging te pas komt, nimmer zal onttrekken. Ik kan evenwel sommige punten, door de vorige sprekers aangeroerd, niet onbeantwoord laten. Ik heb gewacht, totdat de Ministers hadden gesproken, om te vernemen of ik in het antwoord, aan mijne medeleden te geven, tevens eene opmerking had in te lasschen met betrekking tot hetgeen ik van de Ministers had gehoord. De Ministers hebben zich bepaald bij de beantwoording van vragen betrekkelijk tot de begrooting, betrekkelijk tot hunne richting, en hetgeen van het vorig Ministerie was gezegd, terzijde gelaten.

Sluiten