Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kome, maar zelve te handelen. Zij moet desnoods het initiatief nemen om het tot stand brengen te bevorderen van hetgeen zij heilzaam, noodzakelijk oordeelt, en ik vraag, wat heeft de geachte spreker in dit opzicht verricht? A\ at hebben de geachte spreker en de zijnen slechts willen verrichten?

Hij heeft gewaagd van de oppositie, tegen het Bewind, dat het vorige voorafging, gevoerd. Ik zou gezegd hebben dat ik niet in de oppositie was geweest. Neen. Ik heb gezegd, dat het karakter van het vorige Bewind geenszins dat was eener oppositie tegen het Bewind dat was voorafgegaan, noch in woorden, noch in daden. Zoodra evenwel van oppositie tegen het Bewind, dat het vorige voorafging, spraak is, zal ieder zich herinneren, dat niemand feller oppositie tegen dat Bewind, dan juist de geachte spreker, heeft gevoerd.

De spreker wenscht dat het goede, hetgeen onder het vorige Bewind tot stand kwam, behouden blijve. Ik geloof dat, zoo wij van hem eene verklaring van hetgeen, waarin, volgens hem, dat goede bestaat, vroegen, zijne rede bijzonder kort zou uitvallen.

Hoofdstuk II der Staatsbegrooting (Hooge colleges).

Bij art. 17. De kanselarij der beide orden.

Ik wensch, Mijnheer de Voorzitter, eenige inlichting te geven tot aanvulling van hetgeen door de Begeering is geantwoord op eene bedenking in de sectien gemaakt, ten aanzien van de uitgaven over 1852 voor verleende decoratiën. De uitgaaf over 1852 is eene daad van het vorige Bewind, en men zegt in het verslag: „Algemeen heeft het opzien gebaard, dat, blijkens het aangeteekende op den toelichtenden staat onder art. 21b, in 1852 eene som van f 1032.25 voor decoratien der orde van den Nederlandschen Leeuw is uitgegeven." Daarop is geantwoord door de Begeering, maar zoo mij voorkomt niet volledig en in een zeker opzicht niet juist. Er is, terecht, op geantwoord, dat doorgaans in 1852 met de teekenen van onze orde vreemdelingen zijn versierd, voor het grootste gedeelte ten gevolge van gesloten traktaten. Er zij-n in 1852 in de orde van den Nederlandschen Leeuw tot ridders-grootkruis twaalf, tot kommandeurs tien, tot ridders een en veertig benoemd. Van die 41 ridders zijn twintig vreemdelingen, en van de overige een en twintig zijn er elf in Oost-Indische dienstbetrekking. Nu heeft de Begeering in haar antwoord gezegd: „De in 1852 uitgegeven som van f 1032.25 is geheel benoodigd geweest voor groot- en kommandeurskruisen"; dit moet bevreemden, wanneer men weet, hoe die zoogenaamde kruisen worden gegeven. Het groot- en kommandeurskruis, dat gegeven wordt, kost zeer weinig; volgens de wet wordt dat kruis op den rok geborduurd; en hetgeen men thans in den regel geeft, is meer een fac-similé dan een kruis of ster

Sluiten