Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedoeling dezer Regeering ligt. IK zal nu niet onderzoeken of het op dat tijdstip, op den 26sten April, gepast was de aanvaarding van een nieuw Gouvernement met dergelijke kritiek van de wetgeving, onder een vorig Gouvernement tot stand gebracht, te openen. Dat manifest is vóór eenige dagen niet ongepast, niet oneigenaardig, het oorlogswerktuig van de Regeering voor de verkiezingen genoemd. Die verkiezingen zijn afgeloopen, zij hebben hare uitkomst gehad; en nu zouden zij der Regeering wel eens wat lastig kunnen vallen die wenschen, dat zij dat oorlogswerktuig niet late rusten.

Ik heb gezegd. Mijnheer de Voorzitter, ik zal niet treden in eenige van de bedenkingen, die tegen de organieke wetten zijn ingebracht. De tijd zal wel komen en ik zal dan gelegenheid hebben mijne meening, na het herhaalde onderzoek waartoe de tegenwoordige Kamer wellicht aanleiding zal geven, te zeggen. Maar ik moet ten slotte he.t oog van de Kamer vestigen op diegenen, welke die wetten aanmerken als „de gebouwen waarin de vijand der tegenwoordige Regeering genesteld is." Zij hebben niet gezegd of die gebouwen binnen of buiten de verboden kringen gelegen zijn. maar waar zij ook zijn gelegen, zij moeten worden vernietigd. En ziedaar, dunkt mij, de zeer duidelijke, de zeer openbare strekking van onderscheidene van de redevoeringen, die ik gehoord heb. Eenige dagen geleden uitte een spreker van de overzijde, een afgevaardigde uit Arnhem, de heer Mackay, onder meer andere eischen die hij van de tegenwoordige richting deed, ook den wenscli ,.geen reactie '! Zoo echter iets duidelijk is in de richting van die redenaars, die ik op dit oogenblik bedoel, dan is het dat. zij zijn, dat zij willen zijn, dat zij verlangen dat de Regeering zij: in volle reactie.

De toestand, zei de minister van justitie, waarin de regeering zich in April bevond, bij de ontbinding van de tweede kamer, eischte, dat in algeineene trekken werd aangegeven, wat de strekking was der nieuwe regeering. Daartoe had het manifest van April gediend. De heer van Goltstein verklaarde, dat degenen, die verbetering der organieke wetten verlangden, geen reactie begeerden.

Mijnheer de Voorzitter, de Minister van Justitie heeft mij een antwoord gegeven in de onderstelling dat hij mij wel had verstaan. De Minister van Justitie heeft mijne woorden niet juist gehoord. Ik heb niet gevraagd, of die beoordeeling van hetgeen onder de vorige Regeering tot stand kwam, in dat rapport aan den Koning, het manifest van het tegenwoordig Bewind, gepast was; ik heb gezegd dat ik dat nu niet zou onderzoeken. Ik zal ook nu niet onderzoeken, of het Bewind, eenige dagen na de aanvaarding, het algemeene oordeel, dat het uitsprak, in staat was te rechtvaardigen. Ik zal niet onderzoeken of het de rol is van een nieuw Bewind, te beginnen met afkeuring van zijn voorganger.

Sluiten