Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij wil, hetgeen hij vraagt, geenszins om niet; hij stelt er beloften, hij stelt er groote uitzichten voor dat Ministerie tegenover. De geachte spreker wijst op de kracht van zijne partij in deze Kanier en bij het volk.

In deze Kamer: zijne partij kan niet meer worden geteld; zoo die partij zich niet met de Kamer heeft vereenigd, de Kamer heeft zich, volgens den spreker, vereenigd met zijne partij. De Kamer is, in zijne schatting, doortrokken van den geest zijner partij. De aanwas zijner partij is dus groot in de Kamer; maar vergelijkenderwijze acht hij dien aanwas nog veel grooter bij het volk. Het Ministerie lette wel! De geachte spreker heeft niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de beweging van April, dat de oprichting van dit Ministerie inzonderheid aan zijne partij, aan de Christelijk-historische partij, moet worden toegeschreven.

De spreker, die voorheen zijne partij tegenover de Kamer plaatste, laat thans, met den vorigen naam, dat stelsel van afzondering vallen, zoolang hij kan gelooven. Kamer en Regeering iin zijnen geest te zien handelen. Ik vraag niet wat zal deze Kamer, wat zal deze Ilegeering doen? De Kamer en de Regeering moeten weten wat zij u kunnen toestaan of niet kunnen weigeren. Maar naar het gevoelen van het vorig Gouvernement, naar mijne innige overtuiging, is hetgeen gij met betrekking tot het openbaar lager en hooger onderwijs, onder den naam van voldoening aan de Christelijk-historische partij verlangt, hernieuwing van de meest

doehTt g"^d,ensttw,sten- De geachte spreker, ik wil het gelooven, bedoelt dit wellicht niet rechtstreeks, ofschoon hij strijd boven alles stelt, maar hetgeen hij vraagt zal leiden tot hetgeen aan het vorig Gouvernement in de hoogste mate verderfelijk toescheen, en waartegen ik mij tot het uiterste zal blijven verzetten. Gij zegt strijd, wrijving te willenmaar niemand twijfelt, of gij wilt uwe richting inplanten, gij wilt een fficieel oigaan, om alle andere richtingen uit te sluiten.

3 December Algemeene beraadslaging over de VlIIste afdeeling (Kunsten en Wetenschappen).

Betrekking van de regeering tot kunsten en wetenschappen Versnippering van middelen.

Koninklijke academie van wetenschappen.

Weerkundige inrichting te Utrecht.

De delftsche academie.

Hier komt, Mijnheer de Voorzitter, het punt te pas, dat ik gisteren achterwege l.et, de betrekking der Regeering tot de beoefening van kun-

:,r\:,7?nse::rppri; het terrein'waarop *dm ««^^n sp^r

uit Amsterdam (den heer Bosscha) ontmoet. Ik zal zijne hoofdstellingen, zooals ik die uit zijn mond heb opgeteekend, nagaan Ik zal mij veroorloven, vooreerst, omtrent eenige van die stellingen eene enkele opmerking m het midden te brengen en in de tweede plaats, tegenover het beginsel, dat die geachte spreker over het algemeen scheen aan te thokbecke, Parlementaire redevoeringen, 1852—1853. 22

Sluiten