Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blik de band tusschen de Regeering en die andere wetenschappen vernietigd en onze wetenschappelijke reputatie buiten 's lands benadeeld is.

Er is — en dit is mijne eerste opmerking — er is, zoo ik mij niet bedrieg, tusschen die wetenschappen, waarvan, de beoefening de bijzondere taak uitmaakt van de Academie van Wetenschappen, en den overigen letterkundigen arbeid een gevoelig verschil. De toepassing der wis- en natuurkundige wetenschappen op de onderscheidene takken van Staatsen maatschappelijke^, dienst vordert eene vaste, gestadige samenwerking van geleerden, kostbare hulpmiddelen en gezamenlijke proefnemingen.

De overige letterkundige arbeid is meer individueel, of voor zooveel vereeniging nuttig is, wordt zij, zonder tusschenkomst van Staatswege, best aan het vermogen en den ijver der partikulieren overgelaten.

Ten andere. Daar is, zoo ik mij niet bedrieg, in den tegenwoordigen toestand der maatschappij, bij de hedendaagsche behoeften der Regeering, eene andere betrekking tusschen de beoefening der wis- en natuurkundige wetenschappen en de Regeering, dan deze met de overige wetenschappen over het algemeen kan hebben. Van de eerste heeft zij, in het belang van den publieken dienst, zoo dikwijls voorlichting, hulp en bijstand te vragen.

De band, zegt de spreker, het verband tusschen de Regeering en die andere wetenschappen is thans opgeheven. Waarin bestaat dat verband, hetgeen de spreker wil? Zoo :het bestaat of behoort te bestaan, dan zal het toch wel op een anderen grond, dan op eene klasse van historische en staathuishoudkundige wetenschappen rusten, en ook zonder zulk eene klasse aanwezig zijn.

Onze wetenschappelijke reputatie buiten 's lands zou zijn benadeeld. Indien onze wetenschappelijke naam buiten 's lands van eene historische en staathuishoudkundige klasse afhangt, ik geloof dat wij nog geen recht hebben ons op reputatie, op eenigen naam buiten 's lands te beroepen.

De geachte spreker heeft van de weêrkundige inrichting te Utrecht gewaagd. Hij verlangt, dat die inrichting, als Rijksinstelling gevestigd, mocht gebracht worden onder het toezicht van de Academie van Wetenschappen, dat althans die Academie over die inrichting ware geraadpleegd.

Ik herinner, — het was, meen ik, en te recht, reeds herinnerd door den geachten spreker uit Utrecht (den heer van Goltstein) — dat het vorig Gouvernement geenszins verzuimd heeft, zooals ik meen gisteren gehoord te hebben van den anderen geachten spreker uit Utrecht, den heer van Reede, zich het belang van die inrichting aan te trekken. De meening van het vorig Gouvernement was, niet eene Rijksinstelling te vestigen, maar eene instelling, door partikuliere krachten tot op eene

Sluiten