Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indien nu de geachte spreker gelieft na te gaan wat er toe behoort 0111 dat uiteenloopend onderzoek tot eene uitkomst te brengen, dan zal hij het minder kwalijk nemen, dat in de laatste jaren het lot van de academie nog niet. is beslist. Zoo hij gedacht heeft, dat zij met eene geheele ontbinding werd bedreigd, heeft hij aan eene overdrevene, aan eene door niets gerechtvaardigde vrees toegegeven.

Ik heb, Mijnheer de Voorzitter, de verschillend» punten een voor een aangestipt; en nu zij het mij vergund ten laatste tegen hetgeen mij schijnt het beginsel, het algemeen stelsel te zijn van hetgeen de spreker uit Amsterdam van de Regeering, van iedere Regeering ten aanzien van wetenschap en kunst verlangt, de gedachte van de vorige Regeering over te stellen. Ik wensch de handelingen van de vorige Regeering zoo ik ze al' niet kan vrijwaren tegen veroordeeling, ten minste tegen miskenning te beschermen en in het ware licht te plaatsen.

De spreker verlangt en verwacht van de Regeering, mijns inziens, te veel.

In dit opzicht vooral, ten aanzien van de bevordering van wetenschap en kunst, kan de Regeering veel' voor den schijn doen, en daarmede populariteit, verwerven. Het Mecenaatschap is ook voor eene Rering eene gemakkelijke, behagelijke, vleiende rol. De geleerden en kunstenaars hebben gaarne een officieel karakter, en omringen gaarne hunne werken met een officieelen glans. Moet de Regee.ring daarin toegeven?

Ik geloof het niet. De Regeering moet zich, mijns inziens, van alle kunstige kweeking der weitenschap onthouden. De Regeering moet ook in dit opzicht zich n.iet in de plaats willen stellen van hetgeen ik de maatschappelijke natuurkracht noemen zal. Zij moet de wetenschap niet tot dreven en lanen willen aanleggen; zij moet ze vrij, in het open veld, laten groeien.

Wellicht kon het in vroeger tijd te pas komen het initiatief te nemen; Staatsinstellingen van beoefening van wetenschap en kunst te stichten; de mannen en werken van wetenschap en kunst door verleening van gunst, van voorkeur, van voorrecht, te beschermen. Thans, in onzen tijd, is de betrekking meer natuurlijk en waar.

De Regeering moet ook stoffelijke welvaart bevorderen: moet, mag de Regeering uit dien hoofde fabrikant, handelaar, worden? Neen. Welnu, evenmin komt officieele beoefening der wetenschappen te pas.

Bij de tegenwoordige middelen en snelheid van verkeer of gemeenschap, bij de vrijheid van vereeniging, vindt de wetenschap in zich zelve een voedsel', dat zij voorheen van de regeeringen vroeg. Zij vindt thans in innerlijke kracht, hetgeen zij te voren van buiten ontleende. Hetgeen voorheen vorsten en regeeringen op eene zeer gebrekkige wijs deden, doet thans het publiek, eene macht van bescherming en aanmoediging, oneindig grooter dan alle regeeringsmacht.

Sluiten