Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dunkt mij, niet genoeg hierop gelet, dat bij de overwegingen, waarvan ik gewaagde, de omstandigheid inzonderheid moest gelden, dat de school te Delft eigenlijk bestemd was om eene academie voor de nijverheid op groote schaal te zijn. Hetgeen aan die academie ten behoeve \ an den Oost-Indischen dient en voor de opleiding van de genie van den waterstaat werd toegevoegd, is aan hare hoofdbestemming in den weg geweest. De twee takken woekerden ten nadeele van een stam, die gioote ontwikkeling behoefde. En nu ontstond de vraag — ik heb gezegd, dat ik mijne persoonlijke meening aan de Vergadering mededeelde, maar dat de overwegingen bij het Gouvernement nog hangende waren nu ontstond de vraag, zeg ik, of, zoo voor het vervolg de academie te Delft zoodanige groote, krachtige school voor de nijverheid moest worden als ons land verdient te bezitten, en de tegenwoordige stand der nijverheid vordert, de academie, op dien voet gebracht en volgens die bestemming ingericht, nog de geschikte plaats van opleiding zoowel voor den waterstaat als voor den Oost-Indischen dienst zou kunnen zijn.

Artikel 99. Onderhoud van historische gedenkteekenen.

Den heer van Lennep was het nu eindelijk duidelijk geworden, waarom het Koninklijk-Nederlandsch Instituut in 1850 was opgeheven (Vergel. Dl. I, 1830-1851, blz. 99, Dl II, 1851—1852, blz. 11(3).

Mijnheer de Voorzitter, twee gezegden van den vorigen spreker verplichten mij op te staan. De geachte redenaar heeft gewaagd van de opheffing van het Koninklijk-Nederlandsch Instituut te Amsterdam. Ik heb dezen ochtend dit onderwerp zijdelings aangeraakt, zoo ik meen, zonder iemands eigenliefde te kwetsen. De geachte spreker zegt: waren vroeger zulke redenen gegeven als wij dezen ochtend hebben gehoord, men had kunnen verklaren hetgeen vroeger bevreemdde.

De geachte spreker zat niet op deze plaats in de vorige jaren, toen uitvoerig over dit onderwerp hier is gehandeld; ik zal slechts herinneren dat geheele bladen van het Bijblad met discussie en verantwoording betrekkelijk dit onderwerp zijn gevuld.

De redenaar heeft de opheffing van het Instituut „eene impalitieke daad" genoemd. Mijnheer de Voorzitter, ik neem de getuigenis, die daarin voor de handelwijze van het vorig Gouvernement is afgelegd, gaarne, ik neem ze met beide handen aan. ,,Eene impolitieke daad"; dit kan in de samenvoeging, waarin de geachte spreker dat woord heeft gebruikt, niets anders beteekenen, dan dat het Gouvernement gehandeld heeft zonder berekening van zijn persoonilijk belang. Inderdaad, noch in dit, noch in eenig ander geval heeft het vorig Gouvernement iets hoegenaamd gedaan, om aanhang te winnen. Het Gouvernement heeft ook in dit opzicht eenvoudig en zonder ommezien gedaan, wat het juist en nuttig en plicht oordeelde.

Sluiten