Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ring te willen laten komen. Evenmin als het Gouvernement de Protestanten in hunne vrijheid om de kerkelijke inrigting zoo te regelen, als zij goed oordeelden, beperkte, dacht het dit ten aanzien der Katholieke te doen. De verlangde instelling kon dus geen bezwaar ontmoeten, onder voorwaarde dat dan ook het concordaat zou worden opgeheven. Hierin stemde de Pauselijke Stoel toe.

••Het Gouvernement gaf daarbij tevens te kennen, dat het verlangde vooraf over den tijd en de wijze van invoering te worden onderrigt, ten einde daaromtrent zijn gevoelen aan het Hof van Rome te kunnen mededeelen, en het, zoo noodig, in het belang der zaak en des Lands raad te geven hoe te handelen.

.,Van het juiste tijdstip en van de wijze van invoering hing alles af. Koos men het geschikte oogenblik, en voerde men stil. zonder eenigen ophef of vertoon, de nieuwe regeling in, ze kon zonder eenigen aanstoot, zonder eenige moeite of verzet, tot stand komen. Daarvoor wenschte het Gouvernement te zorgen. Het kwam er op aan, met wijsheid te werk te gaan, den prikkel der onverdraagzaamheid niet te wekken, en alle aanleiding te mijden tot vrees voor iets hetgeen op zich zelf aan de overige gezindten te eenen male onverschillig moest zijn.

,,De Pauselijke Stoel echter heeft eerst met den slag gewaarschuwd. Het Gouvernement heeft van de voor dit land weinig berekende stukken, de allocutie en breve, niet dan na de uitvaardiging kennis erlangd. Evenmin is het over de bisschoppelijke zetels of over de personen geraadpleegd. Zijn er reeds benoemd? het weet dit niet."

Ziedaar hetgeen de vorige Minister van Binnenlandsche Zaken schreef op den 31sten Maart. Die circulaire is door hem in den Ministerraad gebracht en daar goedgekeurd. Ware nu dat schrijven met betrekking tot hetgeen men van het Hof van Rome verwachtte, onjuist geweest, de betrokkene Ministers zouden daartegen in den Ministerraad zonder twijfel zijn opgekomen. Daar dit niet is geschied, zal het besluit geoorloofd zijn, dat de ambtgenooten van den toenmaligen minister van binnenlandsche zaken allen onder den indruk waren, waaronder hij had geschreven.

Ik \estig hierbij nog eens op dit punt de aandacht van de Kamer, welke de reden was om eene voorafgaande mededeeling te vragen. Het was ten einde, in het bela.ng der invoering eener nieuwigheid, die groot opzien in het land zou baren, gelijk in het algemeen belang, raad te kunnen geven.

Het dei de punt dat ik vooraf wensch vast te stellen, is dit: aangenomen, zoodanige mededeeling als ik verwachtte, als volgens mijne overtuiging verwacht werd door mijne ambtgenooten, en inzonderheid door de Ministers der betrokken departementen, ware gedaan, en ze had een min gunstig advies van de Regeering uitgelokt, de bisschoppelijke hiërarchie zou evenzeer gelijk zij door den Paus ware ontworpen, voor zoo-

Sluiten