Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zien wij wat in een naburig land, dat ons dikwerf treurige voorbeelden van politieken tweespalt gaf, gebeurt. Daar drukt eene plotselinge duurte der brandstoffen de bevolking en de nijverheid, Wat geschiedt? Zij, die het Ministerie gemeenlijk ondersteunen, stellen hun partijkarakter ter zijde, om zich inet de oppositie, die onverwijlde voorziening vraagt, te vereenigen. Het Ministerie heeft bezwaar; het belooft evenwel een ontwerp, dat reeds den volgenden dag inkomt, ten einde het nog vóór het slot van dit jaar tot wet kunne worden verheven.

Ik heb, Mijnheer de Voorzitter, een uitersten afkeer van hetgeen men noemt personaliteiten; zij zijn evenwel in de discussie ingeslopen; ik moet er een woord van zeggen. Een spreker, afgevaardigde uit Zutfen. die hier meermalen over den brief, waarbij het vorig Ministerie zijn ontslag vroeg, is gevallen, en die het onderscheid tusschen een Minister en een hofambtenaar scheen te miskennen, splitst de voorstellers. Hij vindt daaronder twee oud-Ministers, en meent hun deelgenootschap aan het voorstel uit ontevredenheid, uit gekrenkte eerzucht, uit wraaklust tegen deze Regeering te mogen verklaren.

Mijnheer de Voorzitter, dat zijn geen waardige woorden: zulke woorden moesten noch elders, noch hier vooral worden gehoord. De Tweede Kamer is geene zaal voor hof gesprekken. De spreker schijnt geen denkbeeld te hebben van de kalmte, van de voldoening, waarmede een Minister. die zijn plicht heeft gedaan, zijn ministerie verlaat. Het is niet alleen Dij eene redevoering, het is bij alle nienschelijke zaken, Mijnheer de Voorzitter, een bijzonder geluk, zoo men een eind vindt, dat het begin en het midden, dat een goed begin en een goed midden waardig zij. Dat geluk is ons te beurt gevallen. Wij hebben het Bewind nedergelegd, waarom? Dewijl het hoofd van den Staat, ten aanzien van de handhaving van een van de edelste rechten der grondwet een anderen raad dan den onzen meende te moeten volgen. Wij hebben diepe sporen nagelaten; op de uitkomsten van ons beleid, op de werken, die wij met algemeene ondersteuning tot stand brachten, zullen nijd en partijzucht nog nienigen tand stomp bijten: onze beginselen zijn eene levenskracht in het land gebleven; de strijd, die er tegen wordt gevoerd, de strijd, die er in deze dagen met groote, met vernieuwde heftigheid tegen is gevoerd, bewijst hunnen invloed en zal ze versterken.

Ik keer terug, Mijnheer de Voorzitter, tot het beginsel der vooringenomenheid tegen ons voorstel. Het is verwerpelijk, daarop komt alle tegenbetoog steeds en telkens neder, omdat het van de oppositie ontspringt: het ware uit dien hoofde uiterst gevaarlijk het voorstel aan te nemen.

De vrees voor dit uiterste gevaar heeft blijkbaar aan argumenten doen hechten, die een niet bevangen, een niet vervaarde of beangste geest nimmer zou hebben aangevat.

Eenige voorbeelden.

Sluiten