Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

digheid toch, die ons in de toekomst wellicht, misschien, tot het doen van uitgaven zou kunnen nopen, drukt reeds sedert geruimen tijd de nijverheid, houdt ondernemingen tegen, en verhindert de vraag naar arbeid. Zij eischt dus, dat de wetgever doe wat hij kan, om den arbeider te verlichten, ten einde de voortbrengende kracht te sparen.

Een ander voorbeeld is, dat men niet alleen in de gedrukte stukken, maar ook in verschillende redevoeringen er op heeft gelet dat de missive, waarbij het voorstel aan den Voorzitter is ingezonden, alleen door imij is onderteekend. Niemand heeft gezien, dat die brief niet noodig was, noch aan de Kamer behoefde te worden medegedeeld. Het was eene beleefdheid jegens onzen Voorzitter. Het wets-ontwerp met de Memorie van Toelichting was het stuk, dat aan de Vergadering werd gericht.

De afgevaardigde uit Tiel (de heer de Kempenaer) heeft inzonderheid aangedrongen op de onraadzaamheid om nu e enige belasting af te schaffen, want men deed schade aan ons finantiestelsel, dat ongeschonden moest blijven. Men moest inzonderheid niet te veel te rekenen op de koloniën, en de geachte spreker heeft ons, om dit aan te toonen, gezegd: „Wij zullen eenmaal van de koloniën afscheid moeten nemen. Wanneer zal die tijd aanbreken?" en hij antwoordde onmiddellijk: „niemand weet het". Omdat niemand dus den tijd weet, wanneer wij van de koloniën afscheid zullen nemen, mogen wij geen voorstel doen tot afschaffing van belastingen, te zamen ruim anderhalf millioen opbrengende!

II. Mijnheer de Voorzitter, ik kom tot het tweede gedeelte mijner rede, het voorstel zelf. Ik wil het aanbevelen en ondersteunen door éénen hoofdgrond. Het heeft onderscheidene kanten, en het is raadzaam om meer dan ééne reden. Vandaar ook, dat ik met groote bevreemding den Minister van Finantiën hoorde, die op hetzelfde punt eener vergelijking der Memorie van Toelichting met die van Beantwoording. drie of viermalen terugkomende, verweet, dat eerst wordt gesproken van tegemoetkoming in de duurte der levensmiddelen en daarna van de noodzakelijkheid om de voeding van het volk te verbeteren, alsof niet èn het een èn het ander en nog veel meer als gevolg van hetgeen wij willen, kon en moest worden beschouwd.

Het gezichtspunt nu, dat ik kieze is de behoefte aan verbetering van ons belastingstelsel. Ik beschouw ons voorstel als een begin dier sedert geruimen tijd noodzakelijke en door mij verlangde verbetering.

Het is, Mijnheer de Voorzitter, mijne overtuiging, die ik in deze Kamer meermalen deed kennen, dat ons belastingstelsel met den tegenwoordigen toestand der maatschappij niet strookt.

Of daarmede het stelsel zou strooken, dat de spreker uit de residentie gisteren aan den Minister van Finantiën aanbeval, durf ik niet beslissen; want het is mij onmogelijk geweest eenige praktikale uitwerk-

Sluiten