Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkiezingen geen programma gegeven, waaruit het tegendeel bleek ? En hadden de kiezers daarop niet de tegenstanders van het vorig bewind naar de kamer gezonden ? Was niet van verschil bij de behandeling van de wet op de kerkgenootschappen gebleken? Had niet het programma van noodzakelijke herziening der organieke wetten gewaagd? En al had nu de minister van binnenlandsche zaken te kennen gegeven, dat daaromtrent vooralsnog geene voorstellen zouden worden gedaan, daarom was dit toch nog niet niet het programma in strijd? Bovenal kwam echter het verschil uit bij de opvatting, die het tegenwoordig kabinet van de grondwet huldigde: het monarchaal beginsel, volgens hetwelk de koning staat aan het hoofd van den staat. „Hij regeert, maar gebruikt daarvoor verantwoordelijke ministers. Die ministers moeten gerekend worden in 's Konings regeering niet anders te doen dan Zijn wil."

Het voorstel moest dan ook alleen verklaard worden als een daad van oppositie. De voorstellers zouden eerlijker gedaan hebben, dit ïondborstig te erkennen. Maar de heer Th., zei hij, kon dit niet. „Want voor de verkiezingen heeft hij zelf verklaard, niet te willen gekozen worden als een voorwerp van oppositie, en hij werd dan ook op die verklaring gekozen te Breda en te Maastricht."

De heer Th. antwoordde onmiddellijk.

De Minister is ten aanzien van den spreker, dien hij heeft beantwoord, in eenige dwalingen vervallen.

Ik zal niet gewagen van hetgeen de Minister gezegd heeft ten aanzien van het tweede punt. van het voorstel zelf. ,,Het voorstel is eene daad van oppositie.'' De Minister zeide, dat ik het wilde betwisten; „erkennen, zeide hij, kon ik het niet". Ik heb het geenszins betwist. Er is niets in hetgeen ik gezegd heb, dat op zoodanige wijze kan worden uitgelegd. Het voorstel is eene daad van oppositie; maar niet van vijandige oppositie. Het is de oppositie, door art. 110 der Grondwet in de Kamer geroepen; en die geen Ministerie zwak genoeg moet zijn kwalijk te nemen. Volgens den Minister kon de spreker uit Maastricht „niet erkennen,'' dat zijn voorstel oppositie is; want vóór zijne verkiezing heeft hij eene verklaring gegeven, dat hij niet wenschte gekozen te worden als voorwerp van oppositie. Ik moet den Minister vragen: hoe hij aan dergelijke ongegronde gezegden komt? Op welken grond hij kan zeggen, dat door mij vóór mijne verkiezing iets hoegenaamd, met betrekking daartoe, is verklaard? Nergens en voor geene plaats heb ik zulke verklaring afgelegd. De Minister diende inderdaad, dunkt mij, minder van eerlijkheid te gewagen, maar nauwkeuriger te zijn in hetgeen hij ten aanzien van een lid der Vergadering zich veroorlooft te verzekeren.

De Minister spreekt van een sophistischen trant van redeneeren. Mijne Heeren, zoo iets beantwoordt men met schouderophalen. Indien men er tegenover stelde: de Minister redeneert als een drogredenaar; waartoe zou dergelijke discussie of qualificatie leiden?

Sluiten