Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verklaring van den Minister van Binnenlandsche Zaken, maar van den Minister van Justitie, hier door hem, als president van den Itaad van Ministers, voorgelezen. In die verklaring staat: „Zonder vooringenomenheid moe teil wij ons afvragen, of de ondervinding leert of geleerd heeft (het is nu onlangs, dus acht maanden na het programma, dat deze woorden werden uitgesproken) dat in het werk onzer voorgangers wijziging moet worden gebracht, en wanneer na een onafhankelijk en zelfstandig onderzoek dit bevestigd wordt, zullen wij ons verplicht achten de vereischte wijzigingen voor te dragen."

Ziedaar, Mijnheer de Voorzitter, naar het mij voorkomt, eene erkenning van de voorbarigheid dier kritische lijst in dat zoogenaamde programma.

Het tweede punt, Mijnheer de Voorzitter, is het monarchaal beginsel. Mij dunkt de Minister van Buitenlandsche Zake:ii hecht zich aan een woord, hij zegt de Koning regeert alleen. Indien de Ministers verantwoordelijk zijn voor de Regeering, zullen wij toch hier, in het Parlement, wel moeten aannemen, dat hun raad op haar van invloed is. Of hoe willen de Ministers worden beschouwd? Ik heb voor het overige gezegd, dat ik zoodanige ontleding eener regeeringshandeling, waarbij men tracht te onderscheiden, hoeveel invloed de persoonlijke wil des Konings, hoeveel invloed de niinisterieele raad hebbe gehad, voor niet constitutioneel houde. Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb in mijne eerste rede, dat die omgang van den Koning met de Ministers is en moet blijven een geheim van regeering, een gebied voor de parlementaire discussie heilig en door haar nimmer te betreden.

In Engeland, repliceerde de minister van buitenlandsche zaken, het constitutioneele land bij uitnemendheid, werd honderde malen verslag gedaan \an hetgeen er tusschen den koning en de ministers was voorgezien. Wanneer de ministers van het geheim misbruik wilden maken, om den koning binnen het kabinet te dwingen, kon het vooral van belang zijn het op te heffen. „Dan zou men aan de natie wel moeten doen kennen, hoe haar geliefde Vorst gedwongen werd.''

Hetgeen de Minister in de laatste plaats sprak komt neder op iets dergelijks als door hem vroeger eens in mijne afwezigheid is gezegd. De Ministei zeide toen, wat, bij tegenstelling van de vorige, de tegenwoordige Ministers in den omgang met den Koning niet zouden doen; en dat scheen op dreigen., dwingen met nederlegging van de portefeuille te slaan. Mijnheer de Voorzitter! Hierop inzonderheid had betrekking wat ik gezegd heb. Dat terrein is niet open voor de parlementaire discussie. Dat terrein hier te betreden zou voor ons eene groote voldoening, maar het zou hoogst onbescheiden, het zou niet grondwettig zijn. Daarom moet ik verwachten, dat men zich te dien aanzien van rechtstreeksche of zijdelingsche insinuatiën onthoude. Men zal ons, denk

Sluiten