Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik, niet willen ontmoeten op een gebied, waar men ons niet. zonder \ ei treding der constitutioneele beginselen, kan ontmoeten.

21 December. De minister van justitie achtte zich geroepen voor zijn ambtgenoot van buitenlandsche zaken in het vuur te komen.

Mijnheer de Voorzitter.' Ik sluit mij aan het woord van den Minister \an Finantiën, dat wat den vorm betreft, wij allen, ieder van ons en de Ministers, die zitting hebben in deze Vergaderng, ons tot regel moeten stellen, de waardigheid van de discussie, van de Vergadering en van onzen persoon niet uit het oog te verliezen. Maar ik vraag, of, wanneer de Minister van Finantiën die uitdrukking heeft gebruikt, die liet-geachte medelid heeft aangevoerd, dat ons voorstel was eene bespotting \an den toestand en van het lijden van het volk; — wanneer ik den Minister van Finantiën zelf gisteren heb hooren zeggen, hetgeen ik niet rechtstreeks heb beantwoord, dewijl ik zooveel hecht aan de waardigheid van de discussie, dat ik een gezegde, hetgeen mij schijnt buiten de perken te gaan, liever wil ter zijde laten, — wanneer ik zelf den Minister van Finantiën heb hooren zeggen: „Aan het voorstel is alle ,,giondslag ontvallen. Dat toonbeeld van oeconomische wijsheid verdient te worden begraven in de vergetelheid. Beter voor de voorstellers zoo zij er nimmer over hadden gesproken, beter voor de dierbare belangen van het Vaderland," — ik vraag, Mijnheer de Voorzitter, of dan de perken van parlementaire discussie die, èn ieder lid der Kamer, en ieder Minister behoort te eerbiedigen, zijn in het oog gehouden, tegenover een voorstel, als het onze, hetgeen, uit besef dat het publiek

belang dat vorderde, bescheiden aan de Vergadering wordt onderworpen?

De Minister van justitie heeft den Minister van Buitenlandsche Zaken verdedigd in hetgeen deze heeft kunnen goedvinden gisteren te zengen. &

Ik ben niet de eerste die zegt, dat de wijze waarop de Minister van Buitenlandsche Zaken gesproken heeft, een pijnlijken indruk maakte omdat ook die rede de perken der parlementaire discussie scheen té overschrijden. Ook mij is het voorgekomen, dat de Minister van Buitenlandsche Zaken bij wijze van zijdelingsche insinuatie sprak. Eene rechtstreeksehe beschuldiging met open vizier voorgedragen, daartegen kan men zich verdedigen. Eene zijdelingsche insinuatie, hoe zal men ze behandelen in het parlement? Zal men er anders mede handelen Mijnheer de Voorzitter, dan wanneer men een misbruik van de binnen are grenzen zoo heilzame vrijheid der drukpers tegenkomt, dat men, ik zal nu niet zeggen op welke wijze, voorbijgaat? De rede van den Minister van Buitenlandsche Zaken is mij niet anders voorgekomen Ik wil nu de uitlegging, die de Minister van Justitie heeft gegeven, gaarne aannemen. Maar ik moet toch vragen of hetgeen hij zelf als de mee-

Sluiten