Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning \an zijn ambtgenoot heeft erkend binnen die perken van betamelijkheid gelegen is? De Minister van Justitie zeide: de Minister van Buitenlandsche Zaken heeft niemand, niet eenig lid van de oppositie van oneerlijkheid, noch zijdelings, noch rechtstreeks, willen beschuldigen. Maar de Minister van Buitenlandsche Zaken heeft dan toch gesproken van eene oneerlijke oppositie, en ik vraag, Mijnheer de Voorzitter, of eene oneerlijke oppositie in de parlementaire taal kan bekend zijn? Mij dunkt eene oneerlijke oppositie is in het woordenboek dier taal zoo min bekend als een oneerlijk Minister, zoolang de persoon aan die tafel zit.

Een tweede punt. „Oneerlijk" heeft de Minister gezegd, „zou dan eene oppositie kunnen worden genoemd, wanneer zij handelde in strijd niet eene vroeger uitgedrukte overtuiging." Mijnheer de Voorzitter, gaat dit niet te ver? Moet men de vrijheid om hier te spreken, om hier een voorstel te doen, afmeten naar hetgeen iemand vroeger wellicht, onder andere omstandigheden, door andere beginselen geleid, kan hebben gezegd? Ik meen — ik kan het met volkomen gerustheid zeggen, want, zoo hiermede een verwijt van inconsequentie mocht bedoeld zijn, mij treft het gewis niet — ik meen dat de vrijheid van geen lid dezer Kamer aan dergelijke banden mag worden gelegd, en niemand daarom oneerlijk mag worden genoemd, omdat hij nu een gevoelen voorstaat, nu een voorstel doet, dat wellicht strijdt met eene meening, met eene overtuiging vroeger, waar dan ook, door hem geopenbaard.

Het laatste punt betreft hetgeen de Minister van Justitie gezegd heeft over den strijd, ontstaan tusschen den Minister van Buitenlandsche Zaken en het geachte lid uit Breda, den heer Storm, ten aanzien van de ministerieele verantwoordelijkheid. Het is ook mij voorgekomen, dat de Minister van Buitenlandsche Zaken heeft verkondigd: „De Koning regeert alleen, zonder deelgenootschap der Ministers." Ik trede niet in dat begrip of dat denkbeeld, zoover het betreft den omgang tusschen den Koning en den Minister, een gebied, dat mij voorkomt heilig te moeten zijn en niet te moeten worden betreden door onze discussiën; maar ik vraag of die voorstelling met betrekking tot deze vergadering, met betrekking tot de Staten-Generaal, parlementair is? Ik vraag of wij ons niet moeten houden aan den Minister? Wij beschouwen de regeeringshandeling, wij moeten ze beschouwen als ministerieele handeling, en zij is dit inderdaad. De1 Minister toch heeft er niet anders toe kunnen medewerken dan uit overtuiging, dan volgens zijne overtuiging. Het Koninklijk besluit dus, dat de handeling vaststelde, regelde, voorafging, drukt de overtuiging van den Minister uit, en ziedaar het punt, dat door het geachte lid uit Breda is aangeroerd en, zoo mij voorkomt, met volkomen juistheid is behandeld. De Minister dekt den Koning en niet de Koning den Minister. Wij hebben te doen met de regeeringsdaad als met de daad van een Minister of Ministerie. Wij spreken niet van die daad als Koninklijke handeling. De regeering is ministerieele

Sluiten