Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb meermalen hooren zeggen, Mijnheer de Voorzitter, de Minister van Koloniën is eene specialiteit. Ik heb daarmede zelfs hooren verschoonen, hetgeen men meende niet te kunnen rechtvaardigen. Ik geef dat niet toe; een Minister van Koloniën is niet een© specialiteit; hij kan met eene specialiteit zijn; de Minister van Koloniën, die het verdient te zijn, kan minder eene specialiteit wezen dan de minister, geplaatst aan het hoofd van eenigen tak van bestuur hier te lande, want die Minister is geplaatst aan het hoofd van al die takken gezamenlijk, die hier te lande onder verscheidene ministers zijn verdeeld.

Hoe dit zij, de verschooning, aan eene zeer beperkte, persoonlijke eigenschap ontleend, zal toch niet zoo ver mogen gaan, dat de Minister van Koloniën de grondwettige verantwoordelijkheid beschouwe als voor nch in de Grondwet niet geschreven. De verschooniing, aan die persoonlijke eigenschap ontleend, zal nooit zoo ver mogen worden uitgestrekt, dat art. 89 der Grondwet voorbij worde gezien. Wat zegt art. 89? De Minister geeft aan de Kamer alle inlichtingen, die niet strijdig zijn met het belang en de zekerheid van het Rijk of van de koloniën. Ziedaar de eenige wettige beperking, welke de Minister kan inroepen. Hij heeft het niet gedaan, en moest dus de verlangde inlichting geven. Ik meen, Mijnheer de Voorzitter, dat de Minister in dat opzicht is te kort geschoten. Het komt mij voor, dat hij niet voldaan heeft aan hetgeen de Grondwet van hem Vordert. En wanneer de Minister in zijn antwoord dien schijn niet. opheft, dan vraag ik: kan mijn beginsel, hetgeen de voorgestelde maatregelen afgemeten wil hebben naar hunne innerlijke waarde, onafhankelijk van de personen, welke die voorstellen of met de uitvoering zijn belast, kan dat beginsel, vraag ik, zóó ver worden uitgestrekt, dat ik ook dan niet let op den persoon, wanneer hij een van zijne eerste grondwettige plichten schijnt te verzaken?

Ik zeg, Mijnheer de Voorzitter, ik heb het woord gevraagd, vóórdat do Minister aan het woord kwam, dewijl ik wensch den Minister gelegenheid te geven dien schijn weg te nemen, dewijl ik, zoo ik hem vei keerd mocht hebben verstaan, wensch, dat de Minister mij inlichte en op zulk een gewichtig punt, desnoods, amende honorable doe.

21 Maart. De aanval van den heer Th., meende de heer Groen van Prinsterer, zou de discussiën over het ontwerp onzuiver maken De kwestie van vertrouwen in den minister werd met die over de deugdelijkheid van het ontwerp vermengd. Ten einde dit te voorkomen, stelde hij de volgende motie voor: „De Kamer, van de bereidwilligheid van en Minister van Koloniën tot het geven van inlichtingen, overeenkomstig art. 89 der Grondwet, volkomen overtuigd, gaat over tot de orde van den dag."

De spieker uit de residentie, die de motie voorstelde, heeft mij zal

ik zeggen.' — in een verwijtenden toon tegengeworpen, dat ik steeds gezegd heb „het schijnt." Ik herhaal de vraag: mag ik zeggen in een ver-

Sluiten