Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de tweede plaats, de spreker uit de residentie (de heer Groen van Priinsterer) heeft mij tegengeworpen, „dat ik, die art. 89 van de Grondwet had ingeroepen, vroeger in een geschrift had beweerd, dat art. 89 van zwakke beteekenis was; de Minister behoefde slechts te zeggen: het geven van inlichtingen wordt mij verboden door het belang, door de zekerheid van het Rijk of van de koloniën." Ik heb gisteren juist gezegd, Mijnheer de Voorzitter, dat de Minister van Koloniën zich daarop niet beroepen, dat hij zich van die eenigc reden van exceptie niet bediend had; ik zou verwacht hebben dat de Minister, zoo hij ons dat schild had voorgehouden, het opvatten daarvan zooveel mogelijk zou hebben gerechtvaardigd; maar de Minister heeft geheel andere redenen van weigering opgegeven.

Het derde punt, Mijnheer de Voorzitter, betreft de motie van orde zelve. Ik meen dat die motie niet ontvankelijk is, en ik zou tegen die motie van orde wel eene motie van orde willen overstellen om te verklaren. dat de Kamer ten aanzien van de gedane motie van orde overgaat tot de orde van den dag; ik zal dat evenwel niet doen, omdat ik geloof. dat het korter zal zijn de stemming over zoodanige tweede motie met de stemming over de eerste te vereenigen. De meening van de Kamer zal zich in eene enkelvoudige stemming genoegzaam kunnen verklaren. De motie van orde nu is niet ontvankelijk. Waartoe toch moet zij dienen? Zij strekt, zooals de spreker uit de residentie gezegd heeft, om de vraag van vertrouwen ten aanzien van den Minister van Koloniën af te scheiden van de beraadslaging over dit ontwerp van wet. Maar de ministerieels verantwoordelijkheid, Mijnheer de Voorzitter, zal nooit van eemge beraadslaging over eenig ontwerp van wet kunnen worden gescheiden: en gesteld nu, de Kamer gaf aan den Minister van Koloniën dat loffelijk getuigschrift, dat de spreker uit de residentie voor dien Minister verlangt, zal dat ons kunnen overtuigen? Neen. Niet zoodanig besluit der Kamer, maar alleen hetgeen de Minister van Koloniën zal zeggen, kan mij overtuigen; de Minister van Koloniën heeft het in zijne macht, om mij te doen zien, dat ik hem verkeerd heb begrepen; hij alleen

heeft het in zijne macht den schijn weg te nemen, waarvan ik gisteren sprak.

Daarenboven, Mijnheer de Voorzitter, hetgeen ik dein Minister van Kolomen zal hebben te antwoorden, dat wordt toch door de motie van orde niet buitengesloten. Het schijnt mij dus toe, dat deze zoogenaamde motie van orde, die den natuurlijken, geregelden loop der beraadslaging stoort en stuit, op geenerlei wijs ontvankelijk is.

Het is uit dien hoofde en vooralsnog uit dien hoofde alleen, — want mijne discussie met den Minister van Koloniën is nog niet tsn einde, — dat ik mij tegen deze motie van orde verklaar.

De motie van den heer Groen werd met 42 tegen 21 stemmen goedgekeurd.

26*

Sluiten