Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zijne te wezen. Eene onoverkomelijke kloof, Mijnheer de Voorzitter, tusschen de tegenwoordige richting en de vorige. Voeg daarbij, dat wij sedert eenigen tijd vreemde, stellingen over de ministerieele verantwoordelijkheid hebben vernomen, dan zal het mij wellicht vergund zijn, zonder nadere verklaring dat beroep van den Minister van Koloniën op zijne vroegere loopbaan niet als geheel voldoende aan te merken.

Evenwel, Mijnheer de Voorzitter, zoo de Minister van Koloniën uit die vroegere loopbaan, uit die vroegere richting, in deze de bereidvaardigheid overneemt om te allen tijde en op de meest volledige wijze antwoord en inlichting te geven, inlichting die wij ten aanzien van zijn Departement meer dan ten aanzien van eenig ander zullen kunnen behoeven, ik zal tevreden zijn.

27 Maart. Algemeene beraadslaging over een ontwerp van wet tot verhooging van hoofdstuk X (oorlog) der staatsbegrooting voor het dienstjaar 1854. De strekking van het ontwerp was in vage termen toegelicht; toch was duidelijk, dat er eenig verband bestond tusschen deze suppletoire aanvraag en de gebeurtenissen buitenslands. Daaromtrent meer licht te ontvangen kwam den heer T. in het belang des lands gewenscht voor.

Mijnheer de Voorzitter! Over de gronden dezer buitengewone aan\ raag ligt, wat het grootste deel der som betreft, eene schemering, eene onzekerheid, die ik wensch te zien wegnemen.

Een deel het kleinste deel van de som — is het gevolg van verhoogde brood- en fourrageprijzen; ik ben niet gezind de minste bedenking tegen het toestaian van die som te maken, en stel dus dat deel buiten de discussie.

Er is een tweede onderwerp, Mijnheer de Voorzitter, hetgeen ik voor mij buiten de discussie stel, de vraag namelijk: hoeveel voor den voet van vrede op den duur noodig is. Indien deze aanvraag moest dienen om den weg tot eene duurzame verhooging van den voet van vrede te openen, zou ik groot bezwaar hebben. Ik ben niet genegen de gewone begrooting van Oorlog te helpen vermeerderen, vooral niet tusschentijds, vooral niet stuksgewijze, vooral niet, dan na eene volledige discussie over het stelsel in zijn geheel.

Het punt, Mijnheer de Voorzitter, dat ik wensch te zien ophelderen, is dit: welk verband bestaat er tusschen deze aanvraag en de omstandigheden buiten 's lands?

Dut er verband bestaat, is uit de houding, uit de verklaringen van het Gouvernement volkomen duidelijk. Bij de begrooting voor 1854 werd nog geene dringende noodzakelijkheid gevoeld. Wij lezen in de

Sluiten