Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijnheer de Voorzitter, ik heb gisteren verklaard, dat ik niet kon besluiten tot verhooging van den gewonen staat van oorlog mede te werken.

Die stelling heeft tegenspraak ontmoet bij den geachten afgevaardigde uit Deventer (den heer Storm van 's Gravensande) en die tegenspraak, was verwacht. Maar zij heeft ook tegenspraak gevonden aan eenen kant, waarvan ik die niet verwachtte, aan de zijde van den geachten redenaar uit de residentie (den heer Groen van Prinsterer).

De spreker uit Deventer heeft gezegd: men moet eerst vragen, wat er noodig is en daarnaar de belastingen regelen. Het is, dunkt mij, blijkbaar, dat de spreker zich in een kring bewoog.. Dat het volstrekt noodzakelijke moet worden opgebracht erkent ieder; maar wat is volstrekt noodzakelijk? De beslissing daarover, Mijnheer de Voorzitter, zou eenvoudig en gemakkelijk zijn, zoo het vaststond, dat er slechts één deugdelijk systeem van defensie, op ééne schaal, denkbaar of mogelijk is. Maar welke is niet te dien aanzien de verscheidenheid, het verschil van meeningen! Wij hebben hier niet enkel met één systeem op ééne schaal te doen. Doch welk ook het systeem zij, ik meen, dat, zoo de middelen uitbreiding niet toelaten, men moet samentrekken. Ik spreek niet van een stelsel van geconcentreerde defensie, in den technischen zin. waarvan de Minister van Oorlog zooeven gewaagde. Ik spreek van de organisatie der defensiemacht in het algemeen, en geloof dat zoo de middelen beperkt zijn, men voor de kern méér en voor den omvang minder moet doen. De geachte spreker uit Deventer heeft in sommige opzichten onze oorlogseischen vergeleken met die van België, van I'rankrijk en van Pruisen. Ik acht die vergelijking te eenen male onaannemelijk. Ik geloof, dat wij ons, noch als Staat, noch als maatschappij, met betrekking tot het defensiewezen, op ééne lijn met die mogendheden behooren te plaatsen. Men heeft wel gezegd, en men heeft het ons ook bij deze gelegenheid herinnerd, dat wij ons ten tijde der Republiek door den vijand hadden laten verrassen, dai wij ons niet behoorlijk hadden voorbereid; men heeft ons gewaarschuwd tegen de herhaling van eene dergelijke onvoorzichtigheid. Ik geloof echter, dat tegen deze herinnering eene andere, niet te miskennen waarheid overstaat, dat namelijk juist de uitgebreide deelneming der Republiek aan oorlogen te lande eene der grootste oorzaken van hare uitputting is geweest.

De geachte spreker uit de residentie ziet het gevaar, dat als drijfveer tot het toestemmen in deze aanvraag is gebruikt, niet in den oorlog in het Oosten. In dien oorlog ziet de spreker enkel twist over de nalatenschap van den „zieken man." Ik voor mij, Mijnheer de Voorzitter, zie in dien krijg het begin eener lang vertraagde ontknooping, in het belang \an de Christelijke Westersche vrijheid en beschaving. De spreker uit de residentie heeft ons gezegd: wij zijn sedert Decem-

Sluiten