Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal ik mij bedienen voor mijn oordeel over deze aanvrage. „De Minister van Oorlog moet met zijne arnbtgenooten in overleg treden." Ik erken het. Zoo de Minister van Oorlog in 1853 eene verhooging van het eindcijfer der begrooting heeft voorgedragen en op die verhooging ten gevolge van een vertoog van den Minister van Finantiën is teruggekomen, zoo de Minister van Oorlog in 1854 opnieuw de begrooting heeft trachten te verhoogen maar geweken is voor den tegenstand, dien hij in den Ministerraad ondervond, waarom, Mijnheer de Voorzitter, is de Minister van Oorlog geweken? Alleen daarom, omdat hij die verhooging, die. hij wenschelijk keurde, niet volstrekt noodzakelijk achtte. l)e Minister van Oorlog is de man, om, zoo inderdaad, naar zijn inzicht, de verbooging onmisbaar is, niet te wijken. Daaruit leid ik af, dat bet mij geoorloofd is in deze aanvrage geene volstrekte noodzakelijkheid met betrekking tot den gewonen dienst te zien.

De Minister van Oorlog heeft mij de eer gedaan mij te antwoorden, dat „wij sedert lang zijn in een toestand van gewapenden vrede." De Minister heeft hetgeen ik van een gewapenden vrede gezegd heb, zóó opgevat, alsof ik sprak van liet onderhoud eens legers in tijd van vrede over het algemeen. Dit was mijne meening geenszins, liet is mijne meening niet, dat wij onze vestingen moesten sloopen en ons leger afschaffen en dat wij dan eerst op den voet van vrede zouden zijn. Den voet van vrede onderscheide ik van een gewapenden vrede. Deze laatste is een toestand, waarin men. den gewonen voet van vrede verlaten heeft en tot dien van oorlog begint te naderen. De Minister acht het gelukkig, dat een gewapend© vrede een toestand van gedurige oorlogen heeft vervangen. Ik weet niet, Mijnheer de Voorzitter, of ik in die voorkeur van den Minister deelen mag. De hebbelijkheid van gewapenden vrede, van een gespannen, van een overspannen toestand, die noch vrede noch oorlog is, die hebbelijkheid vindt hare perken niet zoo licht als de. strijdzucht. Ik meen nog te mogen beweren hetgeen ik gisteren in het midden bracht, dat een dergelijke toestand meer verzwakt ineer uitput dan de hevigste worsteling gedurende eenige jaren van oorlog.

I)e Minister van Buitenlandsche Zaken heeft gisteren onmiddellijk op mijne rede geantwoord, indien ik zoide, Mijnheer de Voorzitter, dat liet antwoord van den Minister mij geheel heeft voldaan, ik zou mij schuldig maken aan overdrijving. De Minister heeft in de eerste plaats mijne laatste vraag beantwoord, die over de bescherming, waarop wij voor onze neutrale vaart en onzen handel zouden mogen rekenen. Een onderwerp voor ons van zoo groot en dadelijk belang als eenig ander, dat men te dezer gelegenheid zou kunnen behandelen. Wat heeft ons de Minister gezegd? Niets anders dan: „Er is in dit opzicht een gunstig vooruitzicht, maar er is geene zekerheid." Nu bestaat er tusschen (ie regelen waarnaar de neutralen door de oorlogvoerende

Sluiten