Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogendheden plegen behandeld te worden, een zeer bekend, een zeer groot verseliil. Ik had verwacht, dat de Minister ons zou hebben doen blijken, dat liet Gouvernement het zijn bijzonderen plicht rekent, waar bet kan, aan te dringen, op de eerbiediging van bepaalde regels, en daarop aan te dringen gemeenschappelijk met andere mogendheden. Ik spreek niet van een bondgenootschap, met dat doel aan te gaan. De omstandigheden kunnen dit verbieden, maar niets kan verbieden dat degenen die gelijke belangen hebben, zich onderling bij de oorlogvoerende mogendheden ondersteunen, ten einde zekerheid te verwerven, dat zij volgens die regelen en volgens geene andere, in het vol genot der neutraliteitsrechten zullen worden gehandhaafd.

De Minister kan ons „een gunstig vooruitzicht, maar geene zekerheid geven." Dit heeft, Mijnheer de Voorzitter, mij versterkt in het denk beeld dat ik gisteren aanstipte. Ik zou, bij het naderen van omstandigheden als deze, eer dan wapening te land, eene aanvrage van middelen om onze zeemacht en hare bedrijvigheid te versterken, hebben verwacht; want die kan. in een oorlog, waar ook gevoerd, onmiddellijk geroepen zijn voor zeer kostbare belangen te waken.

In de tweede plaats heeft de Minister van Buitenlandsche Zaken geantwoord op de vraag die ik vooraan had gesteld. Ik had in de Memorie van Beantwoording gelezen: „Men had gedacht dat het niet noodig, dat het niet raadzaam ware daarover" — over die omstandigheden — „in eene uitvoerige ontwikkeling te treden, vermits de kennis der algemeene omstandigheden onder een ieders bereik ligt." Onder een ieders bereik. De omstandigheden, zoo men wil, ja, maar het verband van die omstandigheden, het verband van dien aanstaanden strijd in het Oosten met onzen toestand, met de aanvrage die ons wordt voorgesteld, daarover wenschte ik te worden onderricht, liet is een oorlog op duizend mijlen afstands, een oorlog over belangen, ons, ik wil niet zeggen vreemd, want al hetgeen de groote Europeesche Staten-maatschappij raakt, en van zoo nabij raakt, als de beslissing van dien strijd, kan ons niet vréémd zijn, maar waarop wij in allen gevalle geen invloed kunnen uitoefenen, lil welke aanraking is ons land gekomen, of kan, naar de gedachte van het Gouvernement, ons land met die gebeurtenissen komen, ten gevolge waarvan eene buitengewone wapening wordt gevorderd?

Wat is gebleken uit de rede van den Minister? De Minister heeft dat verband niet duidelijk aangetoond, maar gezegd, en de Minister van Oorlog heeft het lieden bevestigd, het is te doen om de handhaving van onze neutraliteit. Dat is een beginsel en dat dat het beginsel is van de Ilegeering, heb ik niet groot genoegen vernomen. Het is te doen. heeft de Minister van Oorlog gezegd, om onze neutraliteit, te doen eerbiedigen. Er is niet duidelijk gezegd waardoor die neutraliteit gevaar zou kunnen loopen. De Minister van Buitenlandsche Zaken en die van

Sluiten