Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Antwoord aan den heer Groen van Prinsterer.

Ik geloof bij de Vergadering verschooning te zullen vinden voor het vragen van het woord voor de derde maal, zoo ik den aanhef der rede van den geachten spreker uit de residentie herinner.

Hij wenschte dat ik, tot hem sprekende, zeker© min heusche uitdrukkingen wegliet. Mijnheer de Voorzitter, ik kan die opmerking aan niets anders toeschrijven dan aan eene te groote gevoeligheid van den geachten spreker. Ik ben mij bewust geene min heusche uitdrukkingen te bezigen in eenige discussie, tenzij men mij mocht uitdagen. Ik vat de woorden van den geachten spreker op gelijk ik die versta, en, zonder eenigszins te raden naar intentie of bedoelingen, ben ik gewoon in dien zin te antwoorden. Hoe lichtgeraakt de geachte spreker is, blijkt uit hetgeen hij voor zijn beklag heeft aangevoerd, ten duidelijkste.

Waarin toch zou ik eene min heusche uitdrukking hebben gebezigd? De geachte spreker had gezegd: ,,De Minister van Oorlog is nu in de tegenovergestelde richting en die ondersteun ik.'' Wat heb ik mij veroorloofd daarop aan te merken? Dat mij dit noch onnatuurlijk noch onverwacht scheen. Nu zegt de geachte redenaar: „De afgevaardigde uit Maastricht weet zeer wel, dat tusschen de richting van het Ministerie en onze richting een groot verschil bestaat." Mijne Heeren, de geachte spreker onderstelt wellicht te veel. Ik ga af op zijne parlementaire houding. En wanneer ik de geschiedenis naga der ondersteuning, welke dit Ministerie bij hem — ik spreek niet van zijne partij — ondervond, dan geloof ik niet te veel te hebben gezegd.

Ik heb mijne bevreemding te kennen gegeven, dat de spreker hetgeen hij ten aanzien van vorige Ministers van Oorlog, met betrekking tot nalatigheid voor den dienst van Oorlog had gezegd, niet liever tot die personen zeiven had gericht. Ik heb gevraagd, waarom hij dat verwijt vroeger niet heeft ingebracht, toen zij hier tegenwoordig waren. Wat zegt de spreker? „Mijne positlie in de voormalige Kanier was zoo, dat ik mij verblijden moest, wanneer ik nu en dun getuigenis der waarheid kon afleggen." Zou men niet gelooven, Mijnheer de Voorzitter, dat de spreker in de vorige Kamer het woord niet dan eene enkele reize en met moeite heeft kunnen verkrijgen? Ik vraag u, ik vraag allen, die toen tegenwoordig waren, of er een lid geweest is, in de vorige Kamer die de Vergadering zóó dikwijls, zóó lang, zóó aanhoudend heeft bezig gehouden, als de spreker uit de residentie, en of er een lid geweest is. die met meer geduld is aangehoord?

Ik heb met een enkel woord gekarakteriseerd, zooals de spreker het genoemd heeft, den tegenwoordigen strijd in het Oosten. Hij heeft gemeend, dat die beschouwing wellicht onjuist is. „De spreker uit Maas tncht kan zich vergissen." Ik kan mij vergissen, dit erken ik gaarne maar het bewijs voor die mogelijkheid, hetwelk de spreker bijbracht!

Sluiten