Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister heeft zich verwonderd over den vorm van die vraag. Waarom? Hij had gemeend, dat in zijn antwoord aan de belanghebbenden, waaro.ver hier het verzoek is ingediend, de meeining van het Gouvernement of van den Minister genoegzaam aan den dag was gebracht. Indien dat zoo is, dan moest de Minister, dunkt mij, zich niet verwonderen over den vorm van de vraag, maar over de vraag zelve. De Minister moest dan vinden, dat de vraag overbodig was. Maar, ook na den Minister gehoord te hebben, komt mij de vraag niet overbodig voor, want al vond de Minister in dit ééne gevel geene reden tot revisie, daaruit blijkt nog niet dat de Minister in geen geval termen zou kunnen vinden om eene hoogere beslissing uit te lokken. Althans in de discussie, tengevolge waarvan tot het richten van het verzoek aan den Minister besloten werd, is geen woord voorgekomen, waaruit dat bleek.

De Minister heeft zich beroepen op de wet van 1806, op de besluiten van 1830 en van 1842, en hij zal wel niet verlangen, en ik geloof geen lid van de Kamer zal verlangen, dat wij de discussie daarover nu, in dit late uur, beginnen, eene discussie, die niet dan nadat aan ieder de gelegenheid tot nauwkeurige vergelijking der onderscheidene voorschriften zij gegeven, kan worden aangevangen. De Minister heeft zich laatstelijk hierop beroepen, dat in eene dergelijke zaak geen algemeen belang betrokken was. Mijnheer de Voorzitter, ik geloof dat daaromtrent tweeërlei opvattingen mogelijk zijn. Geen algemeen belang. Het is de vraag, wat verstaat men door algemeen belang? Uitsluitend dat belang, dat allen gezamenlijk, dat den Staat in zijn geheel betreft; of rekent men ook onder algemeen belang het waarborgen der rechten en vrijheden van bijzondere ingezetenen? Ik geloof het laatste, en dat in dien zin ook deze zaak onder algemeen belang begrepen is. Maar ten andere, gesteld dat de bevoegdheid, waarvan hier sprake is, niet kon worden geteld onder die, wier verzekering van algemeen belang kan worden geacht, dan nog, heeft dan de Koning enkel daar uitspraak te doen waar het een algemeen belang in den zooeven aangeduiden beperkten zin geldt? Heeft de Koning niet volgens onze wetten dikwijls uitspraak te doen, waar het gemeente- of provinciale belangen geldt?

Het komt hier aan op eene bevoegdheid van uitvoering, aan gemeentebesturen en aan Gedeputeerde Staten bij de wet in het algemeen opgedragen en door besluiten nader bepaald, en het is de vraag of boven die bevoegdheid van uitvoering niet staat de hoogere bevoegdheid van uitvoerende macht in dezen Staat, de bevoegdheid van den Koning. Dit is een punt hetgeen niet op te lossen is dan door een nauwkeurig onderzoek der verordeningen; en ik geloof niet dat de Vergadering zal goedvinden daarin thans te treden. In dat geval zou nu kunnen gebeuren, hetgeen ik van de zijde van den Minister zou hebben gewacht; ik zou hebben gewacht, dat hij vooraf, niet eerst op het oogenblik zelf,'

27*

Sluiten