Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te kennen had gegeven, dat hij bereid zou zijn de begeerde inlichtingen te verstrekken, dan had men een geschikt tijdstip voorgesteld. Nu zal, denk ik, de Vergadering goedvinden vroeger of later op ditzelfde punt terug te komen, en de rede van den Minister dan te behandelen met die belangstelling, welke het onderwerp verdient.

6 Mei. Op den zesden Mei werd het onderwerp aan de orde gesteld.

Uitlegging van de wet van 180G.

De vorige spreker, Mijnheer de Voorzitter, heeft meerdere vrijheid, dan de Minister van Binnenlandsche Zaken genegen schijnt te geven, verlangd voor de toelating van zoodanige scholen, als de spreker inzonderheid wenscht te zien opgericht, Niemand zal mij verdenken van partijdigheid voor zoodanige richting van onderwijs of van scholen a s die, waarvan de weigering tot deze discussie aanleiding heeft gegeven. Maar ik ben een vriend van vrijheid; ik ben een vriend van een krachtig algemeen Gouvernement, dat ons in een werkzaam toezicht waarborgen schenke - welke ook de taak zij van ondergeschikte besturen voor de uitvoering der wet. In dit opzicht en in zooverre ben ik een voorstander van centralisatie, en ik zie, niet zonder eenige voldoening dat centralisatie nu ook verlangd wordt door hen, die van dat wooid een verwijt, een wapen trachten te maken tegen het vorig gouvernement. Tegen het vorig gouvernement dat centralisatie niet verstond zoo, dat hei alle macht, alle bestuur aan zich zou behooren te trekken maar dat de controle van het algemeen bewind de rechten, die men uit de wetten ontleent, ook tegen de provinciale, gemeente- en andere besturen, aan welke een deel der uitvoering mocht zijn opgedragen, bescherme.

Thans is de vraag: wat veroorlooft de bestaande wet, de wet van 1806? Ik zal mij bij de weinige woorden die ik daarover heb te zeggen, met betrekking tot de circulaire van 1849 van den vorigen Minister van Binnenlandsche Zaken — een van de eerste handelingen van zijn bestuur

— uitsluitend houden aan die wet.

Ik zal niet spreken van hetgeen de tegenwoordige Grondwet, in verband tot die wet, zou veroorloven. Ik zal niet spreken van de macht die de Koning heeft uit de provinciale en uit de gemeentewet. Ik zal de wet van 1806 beschouwen als eenei speciale wet, als uitsluitend dat onderwerp beheerschende, en ik zal vragen welke macht zij geeft tot verzekering van de rechten, welke die wet schenkt? welk het centrale

gezag is, dat de Koning uit haar put.'

Ik stel eene algemeene aanmerking voorop, Mijnheer de Voorzitter, eene aanmerking om te karaktiseeren hoe ik den aard van de wet van 1806 beschouw. De wet van 1806 organiseert meer of minder nauwkeurig slechts twee punten: de instelling van schoolopzieners, en de voorwaarden waaraan de onderwijzers van het lager onderwijs heb-

Sluiten