Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of van den secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken namens denzelven, en onder toevoorzicht van het departementaal en landschapsbestuur, alomme in dit gemeenebest opgedragen aan personen onder den naam van schoolopzieners."

In de eerste plaats alzoo het oppertoezicht van den Raadpensionaris. Ik heb mij niet durven voorstellen. Mijnheer de Voorzitter, dat dat oppertoezicht van het Hoofd van den Staat alleen was zien, kijken, maar dat het insloot handelen, indien door de ondergeschikte autoriteiten, met de uitvoering belast, niet naar behooren in zoo een gewichtig on derwerp werd gehandeld. Derhalve geheel daargelaten het gezichtspunt dat in de laatste jai'en meer bijzonder op den voorgrond is gebracht, een gezichtspunt, waaraan ik uitnemend veel hecht, het recht namelijk van bijzondere personen om scholen op te richten; naar mijn inzien, Mijnheer de Voorzitter, het eenige middel om te voorzien in de leemten, die het openbaar onderwijs overal en te allen tijde zal laten daargelaten dat recht van de individus 0111 scholen op te richten, een recht, dat in de wetgeving van 18(M> niet met zoo vele woorden, maar ingewikkeld wordt erkend; daargelaten de waarborging van dat recht, moet het Gouvernement, de Raadpensionaris voor de bevordering van het onderwijs als een algemeen belang, daar zorgen, waar niet behoorlijk volgens de voorschriften der wet gezorgd wordt door de departementale en gemeentebesturen, of verschil tusschen hen te dien aanzien bestaat. En te dien einde geeft de wet — eene wet van beginselen — aan den Raadpensionaris in den ruiinsten omvang de macht om zoodanige tusschenkomst niet alleen uit te oefenen bij bepaalde gelegenheden, telkens wanneer hij hetnoodig acht, maar 0111 die tusschenkomst te organiseeren. In zóó ruimen omvang, als waarin de ontwikkeling en uitvoering eener wet aan een.ig landsbestuur immer is toevertrouwd. Dat geschiedt bij art. 21: ,,de Raadpensionaris stelt vast alle zoodanige reglementen, verordeningen en instruct.ien, als ter geregelde en krachtdadige invoering dezer wet in het bijzonder en ter bevordering van het lager schoolwezen en onderwijs in het algemeen dienstig en noodig zullen worden geoordeeld."

Eene macht zoo sterk, dat ik zeer twijfel of onder de tegenwoordige Grondwet, onder de heerschappij onzer begrippen van wetgeving, aan het uitvoerend gezag eene gelijke macht zou worden opgedragen. Maar eene macht, die bestaat, die bij het algemeen gouvernement berust, pn waarvan de uitoefening plicht is voor liet gouvernement, zoolang deze wet in wezen is.

Ziedaar, Mijnheer de Voorzitter, waarom ik gemeend heb en nog meen, dat de Koning, die, mijns inziens, kan doen hetgeen de Raadpensionaris zou hebben kunnen en moeten doen, dat de Koning kan, dat Hij moet toezien, dat voor de bevordering van bet lager ondeiwiis als algemeen belang, voor het behoorlijk genot van dat onderwijs, '\oor

Sluiten