Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het instellen van gelegenheden tot dat genot gezorgd worde daar, waar de zorg van de departementale en gemeentebesturen, die de gewone en dagelijksche uitvoerders der wet zijn, niet toereikt of gebrekkig is.

Ziedaar tevens waarom ik gemeend heb aan de Gedeputeerde Staten in 1849 te kunnen richten deze eenvoudige, en zoo mij nu nog voorkomt, geenszins onbescheidene, geenszins dreigende, maar heilzame, op de wet gegronde woorden: „Niet zonder grond zou kunnen worden beweerd, dat de uitvoerende macht, ten deze aan die besturen toegekend, uit den aard der zaak ondergeschikt is aan de algemeene uitvoerende macht, en dut derhalve door den Koning zou kunnen worden bepaald, dat, bij weigering van eenig provinciaal bestuur, om de machtiging tot oprichting eener school te verleenen, hooger beroep op Hem zal worden toegestaan."

Verschillende sprekers bestreden de uiteenzetting van den heer Th. De heer Groen v. Prinsterer wenschte de kwestie op te lossen door een partieele herziening der wet van 1806. Hij stelde daartoe de volgende motie voor: „De kamer, van oordeel dat, indien, na weigering van autorisatie voor bizondere scholen, de eindbeslissing van den Koning niet kan worden gevraagd, onverwijlde wettelijke voorziening in deze leemte der bestaande verordeningen vereischt wordt, gaat over tot de orde van den dag."

De Minister en de geachte spreker uit de residentie (de heer Groen van 1'rinsteier) hebban mij verplicht andermaal het woord te vragen. Voordat ik hun beantwoord, neem ik een enkel punt op uit de redevoeringen van de sprekers uit Friesland (den heer Sleeswijk Vening), uit Utrecht (den lieer van Goltstein), en uit Gelderland (den heer de Keinpenaer).

De spreker uit Friesland heeft, gelijk die uit Gelderland, de huishoudelijke schoolreglementen van 1807 ingeroepen. Die reglementen, ik verzoek die opmerking te mogen maken, verbonden hoegenaamd nici het algemeen gouvernement. Al de bevoegdheid, al de zorg van den Raadpensionaris, ten aanzien van de uitvoering van de wet van 1806, bleef in haar geheel, wat ook die huishoudelijke schoolreglementen bepaalden.

„De meening, welke de tegenwoordige Minister van Binnenlandsche Zaken heeft verklaard te zijn toegedaan, zegt de spreker uit Friesland, was die van het Gouvernement van 1842." Ik neem dat aan, ik heb reeds schuld beleden; ik heb erkend, dat het vorige Gouvernement zich had losgemaakt, niet van de wet van 1806, maar van den traditioneelen uitleg van die wet.

„Bij de toelating of weigering — zegt de spreker — van bijzondere scholen, komt het slechts aan op de individueele behoefte van eene ge-

Sluiten