Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets van zeggen; ik herinner mij slechts, dat bij mijn aftreden de correspondentie niet Gedeputeerde Staten over sommige gevallen nog niet afgeloopen was.

Het vorig Bestuur heeft gewacht, het is niet tusschen heide gekomen vóór den tijd; het heeft niet, zonder noodzaak, eene nieuwe orde van zaken willen invoeren, strijdig met hetgeen tot dusverre bij de uitvoering van de wet van 1806 was betracht; en het heeft niet in iedere weigering, in elke vertraging van inwilliging eene genoegzame reden gezien om aan den Koning het nemen van een algemeenen maatregel voor te dragen, waarbij voor het vervolg een beroep aan den Koning opengelaten werd. Het is mij gelukt in meest alle gevallen, waar weigering geschied was, van die weigering te doen terugkeeren. Sommige zaken zijn hangende gebleven; dat er eene weigering geweest is, waarbij het antwoord is gegeven, waarvan de Minister sprak, herinner ik mij evenmin als, zoo het antwoord gegeven is, onder welke omstandigheden het gegeven werd. De houding, door het vorig Gouvernement in acht genomen, wordt verklaard in de circulaire zelve van 1849. Na de woorden toch die ik de eer had aan de Vergadering voor te lezen, volgt: ,,lk acht het evenwel bij het naderen eener wetgeving op het lager onderwijs onnoodig zoodanig voorstel aan Zijne Majesteit te doen. Doch van den anderen kant zou het mij zeer aangenaam zijn indien de plaatselijke en provinciale besturen, bij de beoordeeling van aanzoeken tot oprichting van scholen, in den geest van de tegenwoordige Grondwet, de meest mogelijke vrijgevigheid willen in acht nemen." Zoolang dat verzoek gehoor vond, en dat het gehoor vond daartoe behoef ik slechts het getal der bijzondere scholen sedert dien tijd opgericht te herinneren, zou het dan noodig' geweest zijn, een nieuwen maatregel te nemen, die kort daarna, door de wet tot regeling van het onderwijs, weder moest vervallen? Dat is mij niet zoo voorgekomen.

De spreker uit de residentie zegt: wanneer de Minister zóó overtuigd was als nu uit zijn betoog blijkt, waarom heeft de Minister over liet recht van den Koning om tusschenbeide te treden, zoo twijfelachtige uitdrukkingen in de circulaire gebruikt. Twijfelachtige uitdrukkingen? Het komt mij voor, Mijne Heeren, dat die uitdrukkingen duidelijk en stellig genoeg waren om de meening van den Minister te kennen te geven, van een Minister, die evenwel niet genegen was, tenzij de nood dwong, tot dien maatregel te komen en de aanwezige besluiten tot uitvoering van de wet van 1806 nog met eene nieuwe instelling te doorkruisen?

Waarom, vraagt de spreker uit de residentie, heeft de Minister in die overtuiging de ingezetenen jaren lang aan de vexatien van deze en gene autoriteiten overgelaten? Dit is een punt in deze Kamer meer dan eens behandeld. De spreker noemt het vexatien van wege de autoriteiten.

Sluiten