Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art 4 werd gemist. Zijn tegenwoordig amendement is dus even onaannemelijk als art. 4 het was. Dit tracht nu de spreker uit Hoorn (de heer van Akerlaken) te vergoeden door een sub-amendement. Maar gaat dat sub-amendement wel samen met het aangenomene, ook dooi den heer de Kempenaer voorgestelde art. 21? Dat art. 21, hetwelk ik gewacht had den spreker uitTiel onder de algemeenc bepalingen te zien opnemen, ziet alleen op de bestaande werklieden en zegt: ,,Het eigendunkelijk verlaten der betrekking, zoowel als de niet eervolle verwijdering daaruit, doet de aanspraak op pensioen verloren gaan. Nu stelt de spreker uit Hoorn eene algemeenc bepaling voor, die dus toepasselijk zal zijn en op de bestaande werklieden en °P hen ('ie in de toekomst zullen worden aangesteld. Men zal dus ten aanzien der eersten tweeerlei bepalingen in de wet hebben, hetgeen, dunkt mij, onmogelijk is. Volgens art. 21 zullen de bestaande werklieden hunne aanspraak op pensioen verliezen door het eigendunkelijk verlaten der betrekking, zoowel als door de niet eervolle verwijdering daaruit. Volgens het sub-amendement, dat van eigendunkelijke dienstverlating zwijgt, zullen de bestaande werklieden hunne aanspraak op pensioen verliezen ter zake van aanhoudend wangedrag, onzedelijkheid en merkelijke verwaarloozing hunner dienstplichten. Er bestaat een zeer aanmerkelijk verschil tusschen die beide redactien. In het eene geval behoeft het Gouvernement slechts niet eervol te ontslaan: in het andere geval zal het ontslag moeten gegeven zijn ten gevolge van bepaalde redenen, bij de wet aangewezen.

Nu kan toch dezelfde persoon wel niet onderworpen worden aan eene behandeling volgens twee zeer verschillende regelen in hetzelfde geval. Art. 21 sluit dus, naar ik meen, de aanneming van het voorgestelde sub-amendement uit.

Het sub-amendement van den heer van Akerlaken werd met 41 tegen 10 stemmen verworpen ; het door den heer de Kempenaer voorgesteld artikel met 31 tegen 20 stemmen aangenomen•

12 Mei. Ontwerp van wet tot regeling van het armbestuur.

Algemeene beraadslaging.

Met den vorigen spreker heb ik, Mijnheer de Voorzitter, de rede van den Minister willen afwachten, omdat ik, gelijk die spreker, inlichting behoefde over sommige elementen, in deze Wet gebracht, en die mij met andere elementen, met andere beginselen niet schenen te strooken.

De Minister heeft gisteren hoofdzakelijk slechts herhaald hetgeen men in de Memoriën van Toelichting en van Beantwoording lieeft gelezen. Ik meen dus, ten aanzien van de nieening van het ontwerp van wet, nu een stellig advies te mogen hebben.

Sluiten