Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal ik met weinige woorden terugkeeren tot de bedenkingen, welke de spreker uit Zutfen, de heer van der Brugghen, tegen sommige punten van mijne rede aan de Vergadering heeft onderworpen.

Ik meen met dezen laatsten spreker, en ik hoop dat hij dit zal goedvinden, niet te moeten treden in eene discussie, maar thans alleen te mogen zeggen hetgeen zou kunnen strekken om mogelijk misverstand weg te nemen.

Die spreker heeft in de eerste plaats het ontwerp verdedigd tegen de opvatting, die hij mij toeschreef, dat het de armenverzorging zou behandelen alsof die den Staat in het geheel niet aanging. Ik heb van het overlaten dier zorg gesproken in denzelfden zin, waarin daarvan gewaagd wordt in de artt. 20 en 21 van de wet en in de Memoriën van Toelichting en Beantwoording en waarin dat woord, als eerst beginsel der wet, is verklaard door den Minister in zijne rede van gisteren. Ik heb geenszins uit het oog verloren, dat de Begeering die voordeur sluit om de burgerlijke armbesturen door de achterdeur in te laten. Ik ben er alzoo ver af te miskennen dat het. ontwerp staatsarmverzorging zou hebben afgesneden. Integendeel, hetgeen op die wijze subsidiair a la suite is geplaatst zou wel eens, ik geloof de bestrijders van het ontwerp beweren het te recht, oneindig krachtiger dan het tegenovergestelde beginsel in artt. 20 en 21 vooropgezet, kunnen zijn.

Men heeft, Mijnheer de Voorzitter, een beeld gebruikt; men heeft de burgerlijke armbesturen „een corps de reserve" genoemd. Wellicht zou men ook eene andere vergelijking kbnnen bezigen. Men zou de geschiedenis der invoering van het Bomeinsche recht in de Germaansclie Staten kunnen herinneren. Die invoering had plaats zóó dat dat recht overal zou gelden waar inlandsch recht ontbrak en het gevolg is geweest dat het Bomeinsche recht, aldus subsidiair aangenomen, het gemeene recht is geworden.

In de tweede plaats stond die afgevaardigde stil bij mijne bevreemding, dat hij en andere sprekers van zijn gevoelen juist den Staat van deelneming aan de armenverzorging willen uitsluiten. Hij meent mijne bevreemding daaraan te moeten toeschrijven, dat ik in den Staat zag een genootschap, een contrat social. Zoo iets is, volgens den spreker, de Staat niet en hij berust daarop niet. Mijne Heeren, ik laat geheel daar in hoeverre de Staat met andere genootschappen is gelijk te stellen. Dat de Staat rechtsgenootschap is, en onderscheidene kenmerken van een zedelijk lichaam heeft, zal de spreker uit Zutfen niet willen ontkennen. Waarom dan aan den Staat een genootschappelijke plicht van hulpverleening jegens zijne leden ontzegd? Had de spreker uit Zutfen duidelijk verklaard wat hij, in tegenstelling van het gevoelen, dat hij mij toeschrijft, onder Staat begrijpt, wellicht verstonden wij elkander beter.

In de derde plaats: op mijne aanmerking, dat zij, die vroeger ons

Sluiten