Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder de bestuurders dier instellingen ken, dat zij zich verklaren voor geheimhouding, dat zij tegen openbaarheid opzien. Ik kan dit niet anders verklaren dan uit hetgeen mij voorkomt te zijn een absoluut systeem, een vooroordeel hetwelk de armeninstelling die zij bestuien, niet onderscheidt van de huishouding van een bijzonder persoon, waarover zeker geene publieke autoriteit recht zou hebben eenige mededeeling of rekenschap te vragen.

2o. De Minister: Ik zal met den Minister niet in discussie treden over zijn betoog ten aanzien van de noodzakelijkheid dezer bepaling in dit ontwerp; ik zal het antwoord aan andere leden overlaten. Ik wil slechts in het voorbijgaan aanstippen dat, wanneer de Minister zegt: hoe zal zonder dergelijke mededeeling kunnen worden beslist tot welke klasse de instelling behoort? daartegen de vraag overstaat of daartoe eene dergelijke mededeeling noodig is. De overheid toch weet van zelve welke instellingen zijn gemeente-, provinciale, staatsinstellingen; zij weet welke instellingen zijn gemengde instellingen; zij weet dit door hare rechtstreeksche deelneming aan die instellingen. Welnu, al de overige zijn kerkelijke of andere partikuliere instellingen. Dit wijst zich, zou men kunnen zeggen, van zelf aan.

Ook het verband met art. 21, hetwelk de Minister heeft getracht te leggen, heb ik niet gevat. Het hangt toch volgens het ontwerp niet van het reglement af of iemand zal worden ondersteund, veel min zal de overheid iemands aanspraak daarop krachtens het reglement kunnen doen gelden. Maar de ondersteuning hangt af van den wil der bestuurders en mocht die niet overeenkomen met de voorschriften van het reglement, volgens dit ontwerp heeft de overheid geen middel hoegenaamd om dien wil met de voorschriften van het reglement in overeenstemming te brengen.

Mijn hoofdbezwaar, Mijnheer de Voorzitter, tegen dit artikel is, zooals ik de eer had gisteren te zeggen, gelegen in de laatste bepa.ling, wel ke de instellingen, zoowel de bestaande als de toekomstige, welke deze opgave niet doen, straft met hetgeen ik gisteren — oneigenlijk zoo men wil — den burgerlijken dood genoemd heb. Dit is mij voorgekomen ten aanzien van bestaande instellingen te ver te gaan. Nu zegt de Minister wel: art. 7 heft die lichamen niet op. Neen, clit lezen wij in art 7 niet, maar het artikel ontneemt toch de bevoegdheid aan die instellingen om die handelingen te plegen, om welke te kunnen verrichten het alleen waarde heeft zedelijk Lichaam te zijn. Dit was ook, en dit moet ik den spreker uit Friesland, den heer Sleeswijk Vening, verzoeken te willen opmerken, geenszins bepaald in het vorig ontwerp. Het vorig ontwerp vorderde gelijke mededeeling van de kerkelijke zoowel als andere bijzondere instellingen onder eene strafbepaling; maar die strafbepaling was eene geheel andere dan deze; en zij gold alleen voor toekomstige instellingen, voor vereenigingen, die zich tater zouden vormen.

Sluiten