Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afwisseling, plotselinge sprongen en gestadige proefnemingen der nijverheid, de betrekking tusschen kapitaal en arbeid grootelijks is veranderd, het kapitaal heerscht, ontelbare kleine bedrijven zich in groote ondernemingen oplossen en het evenwicht tusschen de vraag en het aanbod van handenarbeid is verbroken, doet zich steeds een overvloed van werkzoekende arbeiders voor, en is hun lot gedurig in hooge mate bekommereftd. De toestand ook van hen, die voor het oogenblik bezigheid hebben, grenst steeds aan armoede om bij de minste crisis in volslagene ellende over te gaan.

Ziedaar het pauperismus van onzen tijd, verarming of dreigende verarming eener gansche klasse, eene in de maatschappelijke huishouding diep ingrijpende kwaal, waarvan de verkeerde behandeling voor den Staat, voor de welvaart, voor de zedelijkheid, voor de zelfstandigheid en het gevoel van menschelijke waarde van den talrijksten stand zijner burgers de treurigste gevolgen heeft. Ik vraag: lieeft de Staat het welzijn, de ontwikkeling, de beschaving van dien stand te behartigen? Het antwoord kan, geloof ik, niet twijfelachtig zijn. Wij hebben het gehoord, Mijnheer de Voorzitter, van den spreker uit Utrecht, den heer van Goltstein: de Staat heeft te zorgen voor den voorspoed, voor de ont wikkeling, voor de reelitsveiligheid zijner ingezetenen. En deze, de talrijkste, de meest behoevende klasse zal in die zorg wel moeten zijn begrepen. Welnu, de geachte spreker uit Utrecht houde het mij ten goede, ik beweer, dat het onmogelijk is, van die behartiging de armenzorg voor diezelfde klasse te scheiden.

Dit is, zoo ik mij niet bedrieg, het hoofdgebied der algemeene armenzorg, dat al het beleid der overheid, en bovenal strenge eenheid zoowel van beginsel als van bestuur vordert.

Hoe zal de overheid dien plicht vervullen, indien de arme zich, volgens de wet, eerst tot de diakonie of andere partikuliere liefdadigheid moet wenden?

Van dien plicht zal de overheid door art. 20 worden afgetrokken, en zoo dat artikel nog eenige zorg overlaat, het geven van subsidiën zal tot geheele verwaarloozing voeren.

Wij mogen, Mijnheer de Voorzitter, niet over het hoofd zien, dat de burgerlijke besturen in den regel niet, de diakonieen daarentegen wel op de armenverzorging gesteld zijn. Wat zal het gevolg wezen? De diakonieen. welke de wet, dia zegt dat haar de armenzorg wordt overgelaten, voor zich hebban, zullen dreigen en dringen, en hierin zal eene nieuwe aanleiding voor de overheden ontstaan, om haar door subsidiën de geheele armenverzorging over te dragen.

In allen geval late men — het komt mij zoo voor — de bijzondere liefdadigheid bij hetgeen zij met eigen middelen vermag; men onthoude zich haren werkkring door toevoeging van publieke middelen uit te breiden. En wat is subsidie anders dan onnatuurlijke kunstige uitbrei-

Sluiten