Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26 Mei. De behandeling van het ontwerp van wet tot wijziging van de wetten op den accijns van het gemaal was aan de orde. Er waren tal van adressen ingekomen bij de kamer, waaronder een van korenmolenaars in het district Winschoten, aandringend, het ontwerp af te stemmen. De commissie voor de verzoekschriften stelde voor: nederlegging ter griffie, ter inzage voor de leden. De heer Wintgens wenschte, wegens het gebrek aan eerbied voor de wet waarvan dat adres z.i. getuigenis aflegde, ten aanzien van dat adres over te gaan tot de orde van den dag.

Ik ondersteun de conclusie der Commissie. Het komt mij voor dat deze Vergadering geroepen is bij dergelijke stukken te letten op de redenen en niet op den vorm, althans door den vorm zich niet moet laten weerhouden om de redenen in aanmerking te nemen. Als grond voor het voorstel van den spreker uit Delft (den heer Wintgens) hoorde ik het geachte lid uit Steenwijk (den heer van Lennep) aanvoeren: „in stieken, waaruit een dergelijk verzoekschrift tot deze Kamer kan komen, heeft men opvoeding en onderwijs nog zeer noodig." Mij dunkt. Mijnheer de Voorzitter, dat is een grond om zich aan den vorm van dit adres niet te storen. Wat zou ook het gevolg wezen van de stelling van den geachten spreker? Dat wij niet dan van daar, waar eene goede opvoeding, waar behoorlijk onderwijs, naar de begrippen van den spreker of van. de Vergadering, plaats had, — dat wij niet dan van daar een verzoekschrift zouden mogen ontvangen.

„Men heeft in het verzoekschrift gezegd: de wet is onrechtvaardig, en men mag dat niet zeggen, het is strijdig met de Grondwet, want de wet is onschendbaar." Hoe, Mijnheer de Voorzitter, mogen wij aan art. 115 van de Grondwet eene dergelijke uitlegging geven? Veroorlooft de Grondwet niet meer eene wet te beoordeelen? Zoo de wet near iemands overtuiging verderfelijk is, zoo naar zijne overtuiging de wet strijdt niet de rechtvaardigheid, ik geloof niet dat het artikel der Grondwet verbiedt dat te zeggen in het openbaar, dat te zeggen aan deze Vergadering.

Ik wenschte dat overal en te allen tijde in woorden en in geschriften de grenzen van betamelijkheid nimmer wierden overschreden; het komt mij voor dat zij hier niet zijn betracht; maar mij dunkt de Vergadering moet zich daardoor niet beleedigd. zij moet zich grootmoedig en onschendbaar toonen, uitsluitend op het belang der zaak en harer overweging bedacht.

Zoo het er op aankwam, Mijnheer de Voorzitter — en dit schijnt de bedoeling van sommige sprekers en vooral van den afgevaardigde uit Steenwijk te zijn — zoo het er op aankwam eene les van betamelijkheid te geven, ik geloof deze openbare beraadslaging is daartoe voldoende.

De heer Rochussen bleef er op aandringen, over te gaan tot de orde van den dag. Nederlegging ter griffie, zeidehij, kwam op hetzelfde neer, daar niemand

Sluiten