Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menstel van bezwaren, die, gegrond bevonden, de wet onaannemelijk zouden maken.

Men ontwijkt evenzeer de wederlegging, wanneer men de bezwaren van onderscheidene kanten aangevoerd, tegen elkander over stelt, zooals de spreker uit Friesland, de heer Dirks, gedaan heeft, zeggende: ,,die bedenkingen dooden elkander." Mijne Heeren, wat doet dergelijke redeneering af? Ik laat nu de bezwaren der belanghebbenden daar; ik weet, rechtstreeks betrokkenen verdienen, reclameerende, ik zal nu niet zeggen met wantrouwen, maar met een zeer kritisch oog te worden beschouwd; zij overdrijven licht. Maai- letten wij op de bedenkingen van hen die, hoezeer rechtstreeks hoegenaamd niet betrokken, groot belang stellen in hetgeen dit ontwerp bevorderen wil, deskundigen, die, niet, zooals men verwachten kon, geraadpleegd, de moeite nemen 0111 uit eigen beweging hunne stem tegen het ontwerp te verheffen, en niet enkel sommige tegenwerpingen opperen, maar de aanneming van geheel het ontwerp meenen te moeten ontraden.

De spreker uit Friesland, de heer Dirks. zeide ons: „Wat zwarigheid om deze wet aan te nemen? Door die wet wórdt niemand getroffen dan die er zich vrijwillig' aan onderwerpt." Verdient daarom elke accijnsre geling te worden goedgekeurd? „Deze wet, zegt de spreker, dat is haar voordeel, schept eene nieuwe industrie." Ik wenschte, Mijnheer de Voorzitter, dat. dit gelegen ware in de macht van eenige positieve wet, eene industrie te scheppen! Ik kan mij wel een wet voorstellen, die eene industrie bevordert, die industrie laat ontstaan; maar dat zal zijn eene negatieve wet, bijv. eene wet, die den accijns op het gemaal afschaft. Maar eene wet die eene industrie schept, ik hen er geen denkbeeld van.

Ik voer dit aan ten betooge, hoe men ook in de discussie de hoofdbedenkingen voorbijging; zooals ook de Commissie van Rapporteurs in haar Eindverslag ze ter zijde heeft gelaten. Zij zegt niet anders, dan dat zij zich van een eigen oordeel wil onthouden; zij zwijgt geheel en al van de bezwaren, die, ook nog na het antwoord des Gouvernements, hare overweging wellicht vorderden.

Waarom, Mijnheer de Voorzitter, dring ik op dit punt aan? Om den wensch aan den Minister te kennen te geven, dat hij doe wat tot dusverre nog niet is gedaan, dat hij die bedenkingen behandele en zoo mogelijk wegneme. Ik ben, Mijnheer de Voorzitter, minder gehecht aan het weren van fraude of ontduiking van belastingen, dan aan het bevorderen van de nijverheid en van het algemeen belang der verbruikers. Ik zal uitstekend genegen wezen mede te werken tot elke poging die voor onzen landbouw, onze nijverheid of onzen handel nieuwe wegen kan openen. Ik zal genegen wezen dat te doen bij deze gelegenheid, ik zal genegen wezen, het te doen bij iedere gelegenheid; maar eene wet aan te nemen, die, nadat de discussie ten einde ware, mij

thokbecke, Parlementaire redevoeringen 1852—1853. 30

Sluiten