Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 Juni. Verzoekschrift. De heer Ruyssenaers had in 1852 concessie bekomen tot het aanleggen van een telegraafkabel op Engeland. Zoodra de verbinding tot stand gekomen was, had men hem, naar hij in een verzoekschrift aan de kamer te kennen gaf, genoodzaakt zijne concessie aan de Electric Telegraph Company over te dragen. De heer Ruyssenaers had daarop eene nieuwe concessie aangevraagd voor eene lijn van de engelsche kust tot Amsterdam. De adressant meende, dat alleen door den aanleg van eene concurreerende lijn een einde zou kunnen worden gemaakt aan de misbruiken, die op de bestaande lijn waren binnengeslopen. Doch de regeering had de nieuwe concessie geweigerd op grond, dat den heer Ruyssenaers reeds vroeger eene dergelijke concessie was verleend. De commissie voor de verzoekschriften stelde voor, het adres te deponeeren ter griffie.

Ik hel) de eer aan de Vergadering voor te «tellen, dit stuk niet de bijlagen te verzenden aan den Minister van Binnenlandde Zaken met verzoek om inlichting. Daarvoor bestaat, zoo mij toeschijnt, meer da ééne reden. Vooreerst Het belang des publieks bij deze instelling <n bij alle dergelijke instellingen van gemeenschap betrokken. \oo • schijnt Het mij opheldering te behoeven, waarom de Minister heef t goed gevonden zonder opgave van redenen, schoon voor de tweede maal daartoe aangezocht, zonder opgave van redenen, zeg ik, de g^aagd concessie te weigeren aan den man, die de eerste concessie alleen uit dien hoofde verkregen had, omdat hij geen uitsluitenc ïeci \ei >

aan den man, die inderdaad de aanlegger geweest is van eene genie schap, welke, toen er het eerst sprake van was, voor avontuurlijk ja

onmogelijk gehouden werd. Welnu, die man kan, omdat h,j reeds een maal tn het bezit eene, concessie was, geene tweede mededingende^con, cessie verkrijgen! Dit is op zich zelf vreemd, en, zoo mij tot dusvex voorkomt, Mijnheer de Voorzitter, niet in het belang der zaak. Men fc misbruik is bij een telegraafdienst, inzonderheid die geconcess.onee d is aan partikulieren, niet te weren, welke reglementen men ook u tvaardige, welke controle de Regeering ook instelle. De controle, de hoofdwaarborg èn voor de Hegeering en voor het publiek is de mededinging. Maar van dat machtige middel van con ro schijnt de Minister van Binnenlandsehe Zaken te hebben afgezien. J schijnt eene onderneming, waartoe de concessie op de voorwaarde was verleend, dat de concessionaris geen uitsluitend recht zou hebben, nu tot een uitsluitend reclit van den persoon, aan wien de concessie »

overgedragen, te hebben willen maken.

In het. adres aan den Koning, onder de bijlagen van dit verzoekschrift aan de Kanier ingediend, zie ik dat de heer Ruyssenaers zegt: „dat het bij gemelden telegraaf ingevoerde dienstreglement bepalingen inhoud lijnrecht strijdig met de Nederlandsche u-et, en door welke bepalingen de tegenwoordige concessionaris van dien telegraaf, de heer J. L. Ri

Sluiten