Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minister geworpen, zal geacht worden in het algemeen belang te zijn verkregen.

De minister vao buitenlandsche zaken toonde zich zeer geraakt door de interpellatie. Had de heer Th. den minister vooraf van zijn voornemen gelieven te verwittigen, zoo gaf de minister te kennen, dan had hij hem in het belang van het vaderland daarvan kunnen weerhouden, zonder dat de deugdelijkheid van de bedoelingen van den interpellant of de goede dunk van diens voorzichtigheid had behoeven aanstoot te lijden. Wat de gestelde vragen zelve betrof, bepaalde hij zich tot enkele feitelijke mededeeliDgen, „daadzaken" gelijk de minister dit noemde, terwijl hij in eene behandeling van .,abstracte stellingen" niet treden wilde.

Twee gezegden van den Minister in zijne voorafspraak verdienen wel, zooal geen antwoord, eenigen weêrslag.

.,De interpellatie is gedaan zonder voorafgaande/ kennisgeving." De Minister schijnt daaruit eene grief te maken. Mij dunkt, hij heeft geene reden hoegenaamd zich daarover te beklagen. De Minister heeft zelfs bij gelegenheid van de voorgaande interpellatie er zich op beroemd dat er tupschen hem en het lid dat interpelleerde geenerlei verstandhouding was geweest. Ik geloof ook niet dat er eenige plicht bestaat om, vooral wanneer men de punten der interpellatie hier vooraf bloot legt, eene afzonderlijke gemeenschap met den Minister aan te knoopen.

In de tweede plaats, de Minister wil alleen inlichtingen geven over „daadzaken", niet over stellingen.

Ik moet mijn leedwezen betuigen. Mijnheer de1 Voorzitter, dat de Minister onwillig is te doen hetgeen waartoe men in het Engelsche Parlement steeds bereid is; daar toch wordt dagelijks antwoord gegeven op zulke stellingen, als de Minister gelieft abstrakte stellingen te noemen. Ik twijfel ook zeer,, of de, Minister bij die weigering gedekt wordt door art.89 van de Grondwet. Hij zal toch wel niet kunnen beweren, dat de Minister volgens dat artikel, hetwelk het geven der verlangde inlichtingen zonder onderscheid oplegt, geene inlichtingen schuldig is dan op eene vraag over eene idaadzaak; niet wanneer het geldt de rechten, die wij als neutrale mogendheid hebben voor te staan.

De Minister heeft. Mijnheer de Voorzitter, en dit. wil ik slechts in het voorbijgaan, met één woord, aanroeren, van bedoelingen gesproken. en zich zeer gevoelig betoond, dat. men hem wellicht zekere sympathie, zekere bedoelingen toeschreef. Ik zou kunnen zeggen, Mijnheer de Voorzitter, dat eene gevoeligheid, als die welke de Minister aan den dag legde, wel eens als eene wederlegging van hetgeen hij tot zijne verdediging aanvoerde, zou kunnen worden beschouwd. Ik meen in het algemeen dat men hier van bedoelingen niet anders te spreken heeft, zoo min ten aanzien van de Regeering als ten aanzien

Sluiten