Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liggen. Na eerst betreurd te hebben, dat art. 59 der Grondwet zoo hoogst onvoldoende was, komt hij inzonderheid tot de zinsnede: „andere onderwerpen, deze koloniën en bezittingen betreffende*, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan."

,,Een Gouvernement, zeide hij, dat het oude stelsel van het recht der Kroon ten aanzien van de koloniën is toegedaan, zal in den regel ontkennen, dat die behoefte bestaat, en zonder medewerking van het Gouvernement kan er geene regeling tot stand worden gebracht." Ziedaar iiet punt waarop het juist aankomt; het verschil tusschen hetgeen ik nu zal noemen een liberaal Gouvernement en een Gouvernement, dat het oude stelsel der Kroon ten aanzien der koloniën is toegedaan. Onder het stelsel van een liberaal Gouvernement kan men zeer ver komen op den weg, dien de Grondwet heeft geopend, maar op den weg van het andere Gouvernement, dat het oude stelsel der Kroon is toegedaan, zal men niets verkrijgen. Ziehier de vraag, die ik aan den Minister van Koloniën heb gedaan: hoe en waaruit zal blijken, dat die behoefte bestaat? Zal, zoodra blijkt, dat hetzelfde beginsel, hetwelk in de Grondwet heeft doen verordenen dat het muntstelsel en het reglement op het beleid door de wet zullen worden geregeld, dat ditzelfde beginsel evenzeer van toepassing is op andere onderwerpen, een voorstel van wet ten aanzien van die andere onderwerpen worden voorgedragen? Of zal — en dit schijnt de strekking te zijn van de vertoogen, tot dusverre van de Regeering ontvangen — een stelsel van terughouding door de Regeering worden in acht genomen? En dan, Mijnheer de Voorzitter, vraag ik, wat het kenmerk zal zijn van die behoefte? Wat zal het beginsel der Regeering wezen bij de beslissing, dat eene aangelegenheid eer door de wet dan door Koninklijk besluit moet worden geregeld? Aan het vorig Gouvernement gedaan, zou die vraag een stellig antwoord hebben ontvangen en een antwoord dat uitkomsten opleverde. Zoo de Minister van Koloniën van dezelfde gezindheid is, als het antwoord zou zijn, dat men van het vorig Gouvernement zou hebben erlangd, welnu, ik ben volkomen voldaan. Maar hetgeen wij thans van den Minister hoorden geeft mij nog geen genoegzamen waarborg om dat aan te nemen, ofschoon ik daarin ook geene rechtstreeksche ontkentenis heb gevonden van hetgeen ik zou wenschen door de Regeering teil aanzien van deze uitdrukking der Grondwet te zien betrachten. Mij dunkt, eene Regeering moet er op uit zijn om zooveel mogelijk, waar het wezenlijk onderwerpen van wetgeving geldt, dooide wet te doen regelen, eer meer dan minder. Naar mij voorkomt zal er geene vaste regeling van de koloniën zijn, voordat het stelsel van liet koloniaal bestuur in het algemeen, ten aanzien van alle hoofdbeginselen, ruste op de wet. Er zal geene vaste regeling zijn, omdat eerst de wet do waarborgen voor een goed bestuur en eene wezenlijke ministerieele verantwoordelijkheid kan vestigen, omdat eerst de wet thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1832—1853. 32

Sluiten