Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toekomstige Koninklijke besluiten te wijzigen. Zoodanige bevoegdheid, door de wet, zooals blijkt uit liet verband van art. 26 met het veranderde artikel 25, ten aanzien van Koninklijke besluiten evenzeer als ten aanzien van wetten verworpen, kan door Koninklijke verordeningen niet weder worden ingevoerd. Hieruit volgt niet. dat ik de macht des Konings ontkenne, om ten aanzien van een bepaald besluit zoodanige macht te verleenen aan den Gouverneur-Generaal — eene macht die dan voor het bijzonder geval kan worden geregeld zooals de Koning het zal goedvinden.

Wat de tweede alinea van het artikel betreft, zoo zijn wij, geloof ik, op weg tot een volslagen misverstand. De afgevaardigde uit Zwol' (de heer Sloet tot Oldhuis) heeft gesproken van eene bestendiging van bestaande organisatien en gewichtige beginselen, en hierdoor heeft, dunkt mij, de Minister zich laten verleiden om het artikel dait. wij nu behandelen uit het oog te verliezen. Er is toch geen sprake van het bestendigen van iets, mlaar van de macht van den Gouverneur-Generaal om iets buiten werking te stellen. Zijne bevoegdheid om iets dat bij Koninklijk besluit bekrachtigd is, buiten werking te stellen, wordt in de lste alinea omschreven, en nu zegt de tweede alinea: dat bij de toepassing van dat voorschrift, bij de uitoefening dier bevoegdheid, de bestaande organisatien der verschillende takken van bestuur en de aangenomen gewichtige beginselen van regeering met Koninklijke besluiten zullen worden gelijkgesteld; organisatien en beginselen, aan welke eene uitdrukkelijke Koninklijke bekrachtiging tot dusver ontbreekt. I)e Gouverneur-Generaal zou dus kunnen vragen hoe die te beschouwen? Is de macht, die ik heb krachtens het lste lid van art. 26, ook daarop toepasselijk?

Het 2de lid van het artikel maakt dus niets vast, bestendigt niets; maar breidt de macht van den Gouverneur-Generaal om buiten werking te stellen uit, óók over 't geen tot dusver niet uitdrukkelijk bij Koninklijke besluiten werd vastgesteld, schoon het moet geacht worden op Koninklijke besluiten te rusten.

Ziedaar het onderwerp onzer beraadslaging, en nu heb ik gemeend, dat deze bepaling niets anders is dan eene overgangsbepaling, die toch eene nadere verklaring van 's Konings wege aan den Gouverneur-Generaal vereischt. De Koning alleen kan aan den Gouverneur-Generaal zeggen welke der bestaande organisatien, welke der aangenomen beginselen van regeering hij zal moeten beschouwen als door Koninklijk besluit, vastgesteld. Daarom behoort, dunkt mij, eene bepaling, als deze, die het voorledene aangaat, hier niet te huis; zij kan gerust vervallen, en moet, geloof ik, dn het belang eener richtige gemeenschap tusschen de Koninklijke macht en den Gouverneur-Generaal vervallen.

Ook de heer Baud zag meer in het tweede lid verborgen, dan eene thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1852—1853. 33

Sluiten