Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de pensionneering van militaire officieren bij de wet. Het ontwerp stelde voor: „In Nederlandsch Indie worden de officieren door den gouverneur-generaal benoemd en ontslagen, op den voet bij algemeene verordening bepaald.

„De regelen omtrent het toekennen van pensioenen en gagementen worden bij algemeene verordening gesteld."

Amendement van den heer van Hoëvell in plaats daarvan te lezen: „In Nederlandsch Indie worden de officieren door den gouverneurgeneraal benoemd, ontslagen en op pensioen gesteld volgens de regels door de wet te bepalen.

„De pensioenen worden door de wet geregeld."

Hier keert voor een bepaa'i geval de vraag terug, die ik de vrijheid nam in eene vroegere zitting aan den Minister te onderwerpen. Die behoefte, waarvan art. 59 spreekt, hoe en waaruit inuoet die blijken? ') De redenaar uit Amersfoort (de heer Rappard) heeft daarop een antwoord gegeven, dat van hetgeen ik voor het ware houde, aanmerkelijk verschilt. Volgens dien spreker, komt hierbij alles oip erkenning vaa die behoefte door bet Gouvernement aan. Hij heeft zich daarbij beroepen op sommige woorden, in 18-18 en later door leden van het Gouvernement uitgesproken. Ik geloof, dat men tweeërlei heeft te onderscheidein De erkenning van het Gouvernement is zonder twijfel eene voorwaarde van het tot stand komen van dergelijke wet. Zoolang toch het Gouvernement weigert; hoe is het mogelijk dat. de 'wet regiele? Maar eene geheel andere vraag is deze: welke is de gedachte, welk is het beginsel dat bij die stelling der Grondwet: ,,de behoefte moet blijken", ten gronde liigt? „Zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan", wil toch niet enkel zeggen, dat het Gouvernement moet beoordeelen of de behoefte bestaat. De Grondwet onderstelt, dat er redenen zijl1 waaruit die behoefte volgt; en welke nu, volgens de meening van het tegenwoordig Gouvernement, zoodanige redenen zijn, dat is de vraag die ik toen in hel algemeen gedaan heb aaa den Minister en die ik nu doe voor dit bijzonder geval. Mij schijnt het toe, Mijnheer de Voorzitter, dat er steeds behoefte is dat een onderwerp van wetgeving geregeld worde door de wet, zoolang daaraan niet is voldaan. Een onderwerp van wetgeving toch beteekent een onderwerp dat van vvege zijnen aard regeling door de wet vordert. Dat het nu hier een onderwerp van wetgeving geldt, zal niet licht in twijfel worden getrokken, zoo men let op de natuur der zaak en op hetgeen de wet hier te lande, volgens het voorschrift der Grondwet, heeft verorderd. Indien wij hier dus te doen hebben met een onderwerp van wetgeving, vraag ik: wanneer zal die behoefte blijken ten aanzien van dit onderwerp, zoo

') Zie hiervoor blz. 494 vlg.

Sluiten