Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenlijk niet verlangde. Ik geloof echter niet dat wij, nu de Grondwet herzien is, in gelijken geest behooren te handelen.

„De Grondwet" zegt de afgevaardigde uit Amersfoort, „heeft regeling door de wet niet gewild." Die stelling wordt door art. 59 en door de geheele geschiedenis van de wijze, waarop dat artikel tot stand is gebracht, tegengesproken. Ik heb een gedeelte van die geschiedenis laatstelijk aan de Kamer voorgedragen. Men heeft zich bij de herziening eenvoudig van uitdrukkelijke opdracht van meer onderwerpen aan de wetgevende macht afgemaakt, en daar was dan ook niet betrekking zoowel tot het onderwerp, dat wij thans behandelen, als tot andere, reden voor. Zou men toch in art. 59 alle onderwerpen die regeling door de wet konden eischen, omvatten? Dat mocht toen niet worden verlangd, en reeds uit dien hoofde was het noodzakelijk, dat men eene algemeene wending zocht, om aan later onderzoek voor te behouden hetgeen op dat oogenblik niet kon worden beslist.

De afgevaardigde uit Amersfoort heeft zich met name beroepen op een gezegde van den voormaligen Minister van Binnenlandsche Zaken, dat ik in een vroeger antwoord aan den Minister, gedurende deze discussie, uit de woorden zeiven in het ware licht heb gesteld. Zoo dus de afgevaardigde uit Amersfoort beweert, dat sedert de grondwetsherziening van 1848 bijzondere omstandigheden moeten zijn opgekomen om de noodzakelijkheid of de behoefte te betoogen dat dit onderwerp geregeld worde door de wet, mij dunkt hij handelt dan niet in den geest van de Grondwet; want de vraag is niet, of sedert dien tijd bijzondere omstandigheden zijn opgekomen, maar of liet onderwerp van dien aard is, dat regeling door de wet moet geschieden, en of op dit oogenblik omstandigheden bestaan welke die regeling in den weg zijn.

\\ anneer, ten aanzien van een onderwerp van wetgeving, de vraag ontstaat, of het dadelijk geregeld kan worden door de wet, dan of het geregeld moet blijven door Koninklijke besluiten, moeten wij, zoo komt bet mij voor, om die vraag te beantwoorden ons eene andere voorleggen: is dat onderwerp in den tegenwoordigen toestand reeds rijp voor regeling door de wet?

Ik kan regeling door Koninklijke besluiten van onderscheidene onderwerpen van wetgeving, betrekkelijk tot de Indische buishouding, goedkeuren, zoolang namelijk die onderwerpen nog niet zóó ver zijn gebracht dat eene blijvende inrichting door de wet mogelijk is. De Koninklijke besluitenregeering bereidt dan regeling door de wet voor; en houdt op zoodra de zaak in staat is om voor goed aan de wet te worden onderworpen. Nu vraag ik: is dit het geval met betrekking tot het onderwerp van het amendement? Is dit onderwerp nog niet rijp? Of waarom moet het nu nog voortdurend door Koninklijke besluiten, als bij proefneming, worden behandeld, totdat liet later — de Regeering zelve geeft in de Memorie van Beantwoording dit vooruitzicht — eindelijk

Sluiten