Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijst 10 gesloten. Zij was vroeger grooter, maar toch ook reeds bij de Commisie van herziening van 1848 eene gesloten lijst.

Ik geloof, dat hetgeen hierover werd gezegd reeds door mij is beantwoord en verder beantwoord is door hetgeen wij uit het rapport dier Commissie 'hoorden voorlezen. Ik moet daarbij eenige woorden voegen, die men niet heeft gelszen. In art. 56 van het ontwerp van de Commissie werd niet alleen gezegd, dat de wet ook zou regelen de rechterlijke inrichting, het burgerlijk en strafrecht, zooverre deze onderwerpen vatbaar zijn in wetboeken voor de koloniën te worden geregeld; maar vervolgens: „dat de Koning jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag doet geven van het beheer der Koloniën, en van den staat, waarin dezelve zich bevinden. De Minister van Koloniën is verplicht alle openingen en verantwoording te geven, welke door de Staten-Generaal ten opzichte van de koloniën zullen worden verlangd; ten einde, naar de behoefte, zoodanige wettelijke verordeningen kunnen worden vastgesteld, als doelmatig zullen worden bevonden." Daaruit blijkt, dat men het oog had op een initiatief van wege de Staten-Generaal te nemen, die dan natuurlijk eene instructie der zaak van wege den Minister van Koloniën zouden behoeven, aan wien dus geboden werd alle verlangde openingen tot dat doel te verstrekken.

Ook volgens de tegenwoordige Grondwet kan de tegenstelling, zooals die gemaakt werd, zekere onderwerpen, door de wet te regelen, ,,doch niets meer", in geenen deele opgaan. De Grondwet wijst veeleer zelve aan, dat er méér, dan zij uitdrukkelijk noemt, zal kunnen en moeten worden geregeld. Hetgeen zij noemt is slechts een eerst begin.

,,De ondervinding" moet de behoefte doen blijken, om ook andere onderwerpen te regelen bij de wet. De ondervinding? Het antwoord brengt niet verder, maar terug tot de oude vraag: Welke ondervinding? Ik weet zeer goed, dat wat men ook aanvoere uit de rede, uit den aard van het onderwerp en uit de Grondwet, men geen stap zal vorderen, wanneer men van den anderen kant, vanwaar medewerking onmisbaar is, zich vergenoegt te antwoorden: wij zien de behoefte niet in.Ik wenschte echter dat men duidelijk zeide, :riit men dan, hetzij uit ondervinding, hetzij uit den aard der zaak, verlangt beweizen te zien. Zeg mij, hoe ik de behoefte moet aantoonen, en ik zal trachten daaraan te voldoen. Maar indien gij onts telkens met de algenieene exceptie bejegent, „de ondervinding moet de behoefte doen blijken;" en daarmede hetgeen reeds èn door de ondervinding èn uit andere bronnen van kennis is betoogd ter zijde stelt, wat is dat anders dan ons afleiden van den weg, dien de Grondwet wil bewandeld hebben? De Grondwet onderstelt behoefte aan regeling door de wet van onderwerpen buiten die, welke volgens haar dadelijk door den wetgever moeten worden geregeld. Gij onderstelt het tegendeel.

Het derde punt, Mijnheer de Voorzitter, betreft eene dwaling, die

34*

Sluiten