Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij werd toegeschreven door den spreker uit Rotterdam( den heer Baud). Ik had gezegd: er is steeds behoefte, aan regeling door de wet van een onderwerp van wetgeving, zoolang aan die behoefte niet is voldaan. Wat doet nu de spreker uit Rotterdam om de kracht van dat argument te ontwijken? Hij zegt: ,,ik erken de waarheid uwer stelling, «maar gij ziet over het hoofd, dat er volgens de Grondwet van 1848 tweeërlei wetgevende macht over de koloniën bestaat."

Is dat wel zoo? Mij dunkt neen. De Grondwet kent geene tweeërlei wetgevende macht. Er best.iat, volgens haar, slechts ééne wetgevende macht. Zij onderscheidt enkel bestuur en wetgeving; een natuurlijk en noodzakelijk onderscheid, dat altoos zal blijven hoe ook de grenzen tusschen beider werkkring worden getrokken. Het gebied der wetgeving is hier te lande ruimer dan in Indie. Daarentegen is voor Indie dat van het bestuur veel uitgestrekter, en moet het zijn, dan in Europisch Nederland. Maar de Grondwet stelt de taak van het bestuur niet gelijk met hetgeen zij wetgeving noemt. De Grondwet noemt alleen dat, wat de Rijkswetgever te doen heeft, wet, en laat het overige aan het bestuur-

Ook hier te lande, Mijnheer de Voorzitter, moeten vele onderwerpen yeregeld worden door het bestuur, door het Gouvernement, en dat zal steeds noodzakelijk zijn. In zooverre kan men zeggen, ieder gouvernement is wetgever, voor zoover het Gouvernement regelt, maar dit belet niet het grondwettig onderscheid van wetgeving en bestuur in het oog te houden. Wetgeving en bestuur zijn twee hoofddeelen van ééne macht. Hoe minder de eerste regelt, des te meer zal het bestuur te regelen vinden. En de mate van bevoegdheid tot regeling, die men aan het bestuur over de koloniën behoort te laten, zal, althans gedurende langen tijd nog, zeer groot moeten zijn. Maar die regelende macht van het bestuur is niet wat de Grondwet wetgeving noemt, en hij die aan de koloniën tweeërlei hoogste wetgevende macht wil opdringen, spreekt, dunkt mij, niet volgens de Grondwet,

De heer de Kempenaer waagde zich andermaal aan eene uitlegging van artikel 59 der grondwet. De behoefte aan regeling bij de wet moest, meende hij, blijken uit het koloniaal verslag en uit de inlichtingen, die men van den minister verkreeg. Voorzichtigheid was dan ook hetgeen betracht was bij het ontwerpen van dat artikel. Men had verlangd, dat veel zou worden geregeld door de wetgeving in het moederland, doch op de waarschuwing: „waag u daar niet aan" was weer alles uit het artikel geschrapt, wat er eerst meer in was opgenomen, dan nu nog daarin te lezen viel. Diezelfde voorzichtigheid eischte nu, van regeling bij de wet af te zien.

Ik ben verplicht op drie punten de rede van den redenaar uit Tiel (den heer de Kempenaer) te bejegenen. Zij strekte om te betoogen dat er

Sluiten