Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61 cn 02 nader uiteengezet. Wanneer het belastingstelsel in het algemeen, vroeg men, moet worden overgelaten aan „algemeene verordeningen", waarom dan voor deze bizondere belasting, de landrente, bij de wet een regel geeischt'? Kon de kamer dan hierover wel oordeelen, terwijl hare bevoegdheid tot beslissing ten aanzien van het geheele belastingstelsel werd ontkend? De heer Rochussen meende, dat er voor deze „schijnbare tegenstrijdigheid" wel degelijk reden bestond. Be wijze van heffing toch der landrente greep, zeide hij, zoozeer in op het geheele maatschappelijk bestaan van den Javaan, dat daaromtrent waarborgen in de wet behoorden te worden opgenomen. Ook de heer Baud vond genoegzame reden voor de afwijking. Indien men aannemen mocht, dat de bevolking dorpsgewijze aanslag verkoos, was het dan niet wijs, „dat, terwijl aan het bestuur in Indie do stellige verplichting werd opgelegd om voor die belasting bepaalde en billijke grondslagen te zoeken, de wetgever tevens als maatregel van voorzorg trachtte te verhoeden", dat aan die belasting eene andere richting, strijdig met de begrippen der bevolking, wierd gegeven?

De heer Mackay stelde thans als amendement voor, den eersten volzin van het artikel te eindigen bij „voortgegaan", en dan aan het eerste lid een nieuwen volzin toe te voegen: „Binnen een door den Koning te bepalen tijd, worden de grondslagen voor den aanslag bij algemeene verordening vastgesteld." De heer Baud, die het tweeledig doel, dat hij in het artikel las: aan de eene zijde de verplichting der regeering de zaak te regelen, aan den anderen kant voorzorg, dat de regeling niet zou ontaarden in eene heffing, die de inlandsche bevolking onaangenaam ware, door het amendement zuiverder uitgedrukt oordeelde, sprak daarvoor. De minister zag er geene verandering van strekking, doch slechts verbetering van redactie van het artikel in gelegen, cn nam het over.

Ik ben dezen morgen de vergadering binnengetreden in de meening, liet artikel, behoorlijk gewijzigd, aan te nemen. Ik zag in dat artikel een handvat voor de wetgevende macht, waarvan ik de tusschenkomist in de koloniale aangelegenheden, vooral ook tot het leggen der grondslagen van het belastingstelsel, wensch uit te breiden. Zoo de Rijkswet geroepen wordt op dergelijk punt, als waartoe art. 62 betrekkelijk is, liet stelsel van aanslag in de landrente te bepalen, dan kan men daaruit zonder twijfel eene krachtige reden ontleenen voor de tusschenkomst van de wetgeving in zake van belastingen in het algemeen. Art. 61 gebiedt, dat in Indie geene belasting worde gelieven dan bij „algemeene verordening bepaald'; dat woord zal daar voor het vervolg in geene andere beteekenis dan in die van Rijkswet kunnen woirden opgevat, nadat het bijzonder punt, waarvan art. 62 handelt, door de wet zal geregeld zijn. Nu ben ik evenwel, na de gronden te hebben gehoord, die van eene andere zijde voor het artikel zijn aangevoerd, na te hebben gehoord hetgeen de afgevaardigde uit Rotterdam (de heer Baud)

Sluiten