Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gouverneur-generaal die bepalingen zou stellen „bij algemeene of bijzondere voorschriften". Het doel van die woorden was geweest, te doen uitkomen, dat niet alles wat het binnenlandsch bestuur aanging bij algemeene verordening kan worden geregeld, omdat er steeds gevallen zich konden voordoen, waarin bizondere voorschriften vereischt zouden worden.

Ik zal mij niet dan eene enkele opmerking veroorloven 0111 liet verschil, dat er over het laatste punt mijner rede van gisteren is tusschen den Minister en mij, in het licht te stellen.

Ik wil slechts herinneren, dat de vraag niet was en «Mijns inziens niet zijn kan, of iemand in Indie als hoofd zou kunnen optreden of handelen, zonder erkenning van het Gouvernement. Ik stel de noodzakelijkheid dier erkenning of toelating met den Minister boven twijfel. Maar de vraag is, dunkt mij, deze (en deze vraag blijft ook na de uitlegging van den Minister, ook na de verklaringen van den geachten afgevaardigde uit Rotterdam, den heer Baud, voor mij bestaan): of er niet is een zeer wezenlijk onderscheid tusschen die hoofden wier werkkring geheel of grootendeels gegrond is op inlandsche instellingen, schoon zij dien werkkring niet kunnen bekleeden zonder verlof van het Gouvernement, — en die ambtenaren wier bevoegdheid uitsluitend afhangt van Nederlandsche instructien, en louter eene schepping is van ons Gouvernement?

Ik wil er nu niet meer van zeggen, want de hoofdzaak van hetgeen ik thans aan den Minister heb te zeggen betreft het door mij voorgestelde amendement. De Minister verklaart zich daartegen en wel o>p dienzelfden grond, dien hij gisteren reeds bijbracht.

Ik meen evenwel opnieuw te moeten aandringen. Mijnheer de Voorzitter, dat bij het nu aanhangige onderwerp geene aanhaling van art. 26 te pas komt. Dat artikel slaat op geheel iets anders dan hetgeen waartoe dit hoofdstuk en inzonderheid art. 70 betrekking heeft. Men leze de eerste alinea van art. 26: „De Gouverneur-Generaal heeft, onder de nadere goedkeuring des Konings, gelijke bevoegdheid als hem bij art. 25 is geschonken, ten aanzien van verordeningen door den Koning vastgesteld of goedgekeurd." In de tweede alinea worden vervolgens met die door den Koning vastgestelde of goedgekeurde verordeningen gelijkgesteld ,,de bestaande organisatiën der verschillende takken van bestuur en de aangenomen gewichtige beginselen van regeering." Waarom worden ze voor de toepassing van dit artikel daarmede gelijkgesteld'? Omdat die bestaande organisatiën, die aangenomen gewichtige beginselen van bestuur, door de wet worden ondersteld, bij Koninklijke besluiten te zijn bepaald: er is een gebrek van vornn, de Koninklijke bekrachtiging bestaat niet, maar die kan nog worden gegeven.

Sluiten