Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nantie. Uit deze redactie zou zelfs ter zijde een vermoeden kunnen worden ontleend, dat men inderdaad bij dit reglement bedoelt, wat gezegd was in het vorig opstel, eene gedachte, die nu niet meer behoort te bestaan, dat men hier den Rijkswetgever wil uitsluiten. Het kan toch niet te pas komen, aan den Rijkswetgever zulk een regel te geven, als hier wordt voorgesteld.

Behalve die reden waarom dit voorschrift mij voorkomt overbodig en zelfs met het begrip van algemeene verordening, dat ook eene Rijkswet insluit, niet wel overeenkomstig te zijn, is er eene andere reden die ik put uit de herhaling van het voorschrift in art. 79. ,,De militaire strafrechtspleging berust op algemeene verordeningen, zooveel mogelijk overeenkomende met de in Nederland bestaande wetten". Ten aanzien van die strafrechtspleging — waaronder ik meen strafrecht en strafvordering te zamen te moeten verstaan, — zou ik dit voorschrift hoegenaamd niet wenschen te geven, dat namelijk liet militaire strafrecht in Indie zooveel mogelijk in overeenstemming moet worden gebracht met onze hoogst gebrekkige militaire wetgeving Ik wensch de verordeningen voor Indie veel beter ingericht, en in geenen deele aan den band van onze wetgeving gelegd te zien. Daar dit voorschrift in beide artikelen voorkomt, en het, in het ééne voorkomende, ook in het andere moet worden aangetroffen, geef ik in bedenking, den regel hier weg te laten, die in allen gevalle voor den Rijkswetgever van geene beteekenis hoegenaamd kan zijn.

Ik wensch vervolgens ten aanzien van de 3de alinea van art. 78 eene opheldering te erlangen. Ik laat nu daar, dat de aanhef van die alinea beter zou luiden: buitcti de gevallen, zooals ook in eene volgende alinea wordt gelezen, en dat het wellicht verkieselijk ware, in plaats van Of, te stellen èn. Het slot der 3de alinea zegt: „worden door den inlandschen rechter toegepast de godsdienstige wetten, instellingen en gebiuiken der inlanders, voor zoover die niet in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid."

Ik verlang zoozeer als iemand, dat in het algemeen geene uitspraak in strijd zij .met erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid. Ik kan evenwel de opmerking niet onderdrukken, dat ten aanzien dier beginselen geene overeenstemming bestaat ergens, en waarschijnlijk ook niet tusschen ons en dien inlandschen rechter. Ik wensch, dus opheldering, hoe zich de Regeering de werking van dit voorschrift voorstelt. Daarop komt het, mijns inziens, aan. Om den inlandschen rechter de algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid te doen toepassen, moet men onderstellen, dat de inlandsche rechter in onze begrippen van die beginselen deelt. Is er nu eenige waarschijnlijkheid, dat. bij den inlander, ten gevolge van dit voorschrift, dat besef doordringe? Ik begrijp volkomen, dat men aan den rechter in appèl, aan den Europeeschen rechter, zoodanig voorschrift thobbecke, Parlementaire redevoeringen, 1852—1853. 3«

Sluiten