Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is zoo rekbaar, dat men er alles onder kan vervatten. Of ligt de beperking daarin dat 'het toezicht bij algemeen© verordening zal worden geregeld? Maar wie maakt die algemeene verordening? Het kan eene koloniale ordonnantie zijn, vastgesteld door den GouverneurGeneraal met den Raad van Indie. Welken waarborg vindt men in eene dergelijke regeling?

De spreker uit Utrecht heeft 'ons een verwijt gedaan dat mij bevreemd heeft. Indien, zegt hij, volgens de inzichten van den spreker uit Maastricht, dit reglement geene waarborgen genoeg verschaft, waarom dan geene wijzigingen voorgesteld?

Ik vraag, Mijnheer de Voorzitter, of wij het onze hebben gedaan om, naar onze overtuiging, bet reglement te verbeteren. Indien wij het voorbeeld volgden hetgeen meermalen gegeven is door dezen en genen spreker van de andere zijde, dan zouden wij verschooning moeten vragen voor den tijd dien wij aan de Vergadering hebben ontnomen. Wij hebben integendeel ons gedragen, alsof de Vergadering niets anders te doen bad dan deze groote, deze gewichtige taak te behandelen.

In Indie, zegt de spreker, kan de vrije uiting, welke de Regeering tegen het nemen van verkeerde maatregelen zou kunnen behoeden, niet worden toegelaten. Ik zeg omgekeerd, Mijne Heeren, daar moet zij worden toegelaten, waar anders de Regeering, aan zich zelve overgelaten, zich buiten het levendig verband met de maatschappij zal vinden, hetgeen voor iedere macht een eerst vereischte, eene eerste voorwaarde is van goede regeering.

W at ik verlang, Mijnheer de Voorzitter, is, dat door openbaarheid, door vrije mededeeling ons Indie in gemeenschap worde gebracht en blijve met de beschaafde wereld. Ik verlang, dat men niet, uit vrees voor onrust, het licht uitdoove. Ik verlang de kracht der publiciteit, zoowel in het belang der Indische regeering, als van die in het moederland.

De spreker uit Alkmaar (de heer Rocliussen) heeft Britsch-Indische dagbladen, Engelsche en inlandsche, aangehaald. Zij worden, zegt hij, heftig geschreven, maar daartegenover staat een groot leger. Ik weet niet, Mijnheer de Voorzitter, of de Engelsche gewapende macht in Indie evenredig grooter is dan de onze. Maar al ware zij dat, is die macht inzonderheid gekeerd tegen binnenlandsehe onrust, door dagbladen gestookt? Mij dunkt, neen. Wij zien het tegendeel. De Britsche wapenmacht is gericht tegen hetgeen dat groote Rijk steeds heeft te vreezen of te voorzien, een Rijk dat zijne grenzen nog niet heeft gesloten, en op uitbreiding bedacht of daartoe verplicht is.

En wanneer men nu ten aanzien van Britsch Indie niet anders kan aanvoeren dan: „het is niet bewezen, dat de vrijheid van drukpers onschadelijk was," eene vrijheid die daar twintig jaren heeft bestaan,

37*

Sluiten