Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

droegen, nog herhaaldelijk intoxicatieverschijnselen bezorgde. Ook las ik ergens, dat een zoöloog stierf ten gevolge van een verwonding inet een giftand van een oud slangenskelet.

In elk slangengif komen verscheidene van de zoo juist genoemde giftige eiwitachtige lichamen voor, hoewel wij geen enkele slang kennen, die een gif produceert, waarin zij alle worden aangetroffen. Wij zullen bij de zeer interessante onderzoekingen over de physiologische werking van al deze bestanddeelen niet blijven stilstaan, maar ons liever afvragen, welke eigenschappen de verschillende mengsels vertoonen, die de gifslangen in natura produceeren.

Men kan dan in het algemeen zeggen, dat de colubrifor- WERKING me gifslangen een gif afscheiden, dat zoowel in werking O///rC0^ j y

als in chemische eigenschappen belangrijk verschilt van dat (;EN

der viperiden. Alleen het geslacht bungarus bezit een gif, dat vele eigenschappen van de beide groepen in zich vereenigt. Het gif der colubriden verdraagt in het algemeen verhitting tot 100 graden, zonder dat het daardoor vernietigd wordt; daarentegen wordt dat der viperiden door verwarming tot 70 graden al belangrijk verzwakt, en geheel onschadelijk door verwarming tot 80 a 85 graden. Het gif der colubriden dialyseert, al is het langzaam, dat der viperiden daarentegen in het geheel niet. Wat de werking betreft, zoo vindt men in het gif der colubriden in verreweg overwegende hoeveelheid het neurotoxine, dat ademhalingsparalyse veroorzaakt, terwijl cytolytische gifstoffen daarin slechts spaarzaam aanwezig zijn. Het gevolg hiervan is, dat de beet bijv. van een naja, behalve pijn, slechts weinig plaatselijke verschijnselen geeft, maar zeer sterke zenuwsymptomen; omgekeerd vindt men in het gif der viperiden juist in hoofdzaak de stoffen, die plaatselijk werken of die invloed hebben op de samenstelling van het bloed. Hier krijgen wij dus zeer sterke plaatselijke symptomen en veel minder zenuwverschijnselen. Volgens een onderzoek uit den

Sluiten